BWBR0007125
Geldig vanaf 2000-01-01
Artikel 6
Wet inzake de wisselkantoren
1. De Bank haalt de inschrijving door:
a. op verzoek van het wisselkantoor;
b. in geval van overlijden van de natuurlijke persoon die het bedrijf van wisselkantoor uitoefent;
c. in geval het wisselkantoor of de natuurlijke persoon die het bedrijf van wisselkantoor uitoefent, in staat van faillissement is verklaard of ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard;
d. in geval van ontbinding van de rechtspersoon of vennootschap die het bedrijf van wisselkantoor uitoefent;
e. in geval van beëindiging van de werkzaamheden als wisselkantoor.
2. De Bank kan de inschrijving doorhalen:
a. in geval het wisselkantoor kennelijk niet langer wisseltransacties uitvoert;
b. in geval het wisselkantoor niet voldoet aan zijn wettelijke verplichtingen;
c. in geval de Bank op grond van de betrouwbaarheid van een van de in artikel 3, derde lid, bedoelde personen, of op grond van de bedrijfsvoering of de administratieve organisatie: 1°. van oordeel is dat de integriteit van het financiële stelsel wordt aangetast of aannemelijk is dat deze zou kunnen worden aangetast;
2°. een redelijk vermoeden heeft dat het wisselkantoor of een of meer van de in artikel 3, derde lid, bedoelde personen zich schuldig maakt of schuldig zal maken aan witwassen of heling van geld, of
3°. van oordeel is dat de bedrijfsvoering of de administratieve organisatie onvoldoende is om aan de op het wisselkantoor rustende wettelijke verplichtingen te voldoen;
1°. van oordeel is dat de integriteit van het financiële stelsel wordt aangetast of aannemelijk is dat deze zou kunnen worden aangetast;
2°. een redelijk vermoeden heeft dat het wisselkantoor of een of meer van de in artikel 3, derde lid, bedoelde personen zich schuldig maakt of schuldig zal maken aan witwassen of heling van geld, of
3°. van oordeel is dat de bedrijfsvoering of de administratieve organisatie onvoldoende is om aan de op het wisselkantoor rustende wettelijke verplichtingen te voldoen;
d. in geval de Bank informatie bekend wordt die, was zij haar bekend geweest op het moment van het verzoek om inschrijving, ertoe geleid zou hebben dat het verzoek niet zou zijn ingewilligd;
e. indien een der bestuurders of degene die het dagelijks beleid van het wisselkantoor bepaalt of mede bepaalt, in staat van faillissement is verklaard;
f. de Bank niet binnen de door haar te bepalen termijn de ingevolge artikel 8, tweede lid, verschuldigde betaling heeft ontvangen.
a. op verzoek van het wisselkantoor;
b. in geval van overlijden van de natuurlijke persoon die het bedrijf van wisselkantoor uitoefent;
c. in geval het wisselkantoor of de natuurlijke persoon die het bedrijf van wisselkantoor uitoefent, in staat van faillissement is verklaard of ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard;
d. in geval van ontbinding van de rechtspersoon of vennootschap die het bedrijf van wisselkantoor uitoefent;
e. in geval van beëindiging van de werkzaamheden als wisselkantoor.
2. De Bank kan de inschrijving doorhalen:
a. in geval het wisselkantoor kennelijk niet langer wisseltransacties uitvoert;
b. in geval het wisselkantoor niet voldoet aan zijn wettelijke verplichtingen;
c. in geval de Bank op grond van de betrouwbaarheid van een van de in artikel 3, derde lid, bedoelde personen, of op grond van de bedrijfsvoering of de administratieve organisatie: 1°. van oordeel is dat de integriteit van het financiële stelsel wordt aangetast of aannemelijk is dat deze zou kunnen worden aangetast;
2°. een redelijk vermoeden heeft dat het wisselkantoor of een of meer van de in artikel 3, derde lid, bedoelde personen zich schuldig maakt of schuldig zal maken aan witwassen of heling van geld, of
3°. van oordeel is dat de bedrijfsvoering of de administratieve organisatie onvoldoende is om aan de op het wisselkantoor rustende wettelijke verplichtingen te voldoen;
1°. van oordeel is dat de integriteit van het financiële stelsel wordt aangetast of aannemelijk is dat deze zou kunnen worden aangetast;
2°. een redelijk vermoeden heeft dat het wisselkantoor of een of meer van de in artikel 3, derde lid, bedoelde personen zich schuldig maakt of schuldig zal maken aan witwassen of heling van geld, of
3°. van oordeel is dat de bedrijfsvoering of de administratieve organisatie onvoldoende is om aan de op het wisselkantoor rustende wettelijke verplichtingen te voldoen;
d. in geval de Bank informatie bekend wordt die, was zij haar bekend geweest op het moment van het verzoek om inschrijving, ertoe geleid zou hebben dat het verzoek niet zou zijn ingewilligd;
e. indien een der bestuurders of degene die het dagelijks beleid van het wisselkantoor bepaalt of mede bepaalt, in staat van faillissement is verklaard;
f. de Bank niet binnen de door haar te bepalen termijn de ingevolge artikel 8, tweede lid, verschuldigde betaling heeft ontvangen.