BWBR0006996
Geldig vanaf 1994-11-06
Artikel 6
Aanvullend luchthavenreglement luchthaven Schiphol
Met inachtneming van het gestelde in artikel 14, derde lid van het Algemeen luchthavenreglement, worden de volgende voorschriften vastgesteld:
1. Voorschriften met betrekking tot het gebruik en het opstellen, parkeren of stallen van voertuigen op het luchtvaartterrein: a. voertuigen worden geparkeerd of gestald conform de door de exploitant gegeven aanwijzingen;
b. voertuigen parkeren op andere dan op de daarvoor bestemde parkeerplaatsen, is verboden, tenzij daarvoor schriftelijke toestemming is verleend door de exploitant;
c. het is verboden om elders dan op de daartoe door de exploitant aangewezen plaatsen, goederen over te laden, voertuigen te parkeren, te reinigen of te repareren;
d. zonder toestemming van de exploitant is het gebruik van voertuigen in gebouwen verboden;
e. in geval van overtreding van het onder a tot en met d bepaalde, dan wel wanneer de goede orde of veiligheid zulks vereisen, kan het betreffende voertuig door de exploitant worden verplaatst naar een daartoe door hem aangewezen terreingedeelte.
a. voertuigen worden geparkeerd of gestald conform de door de exploitant gegeven aanwijzingen;
b. voertuigen parkeren op andere dan op de daarvoor bestemde parkeerplaatsen, is verboden, tenzij daarvoor schriftelijke toestemming is verleend door de exploitant;
c. het is verboden om elders dan op de daartoe door de exploitant aangewezen plaatsen, goederen over te laden, voertuigen te parkeren, te reinigen of te repareren;
d. zonder toestemming van de exploitant is het gebruik van voertuigen in gebouwen verboden;
e. in geval van overtreding van het onder a tot en met d bepaalde, dan wel wanneer de goede orde of veiligheid zulks vereisen, kan het betreffende voertuig door de exploitant worden verplaatst naar een daartoe door hem aangewezen terreingedeelte.
2. Het gebruik van voertuigen op de niet voor het publiek opengestelde gedeelten van het luchtvaartterrein: a. weggebruikers die aan het verkeer op de wegen van het luchtvaartterrein deelnemen, gedragen zich overeenkomstig de voorschriften als vervat in het Reglement verkeersregels en Verkeerstekens 1990;
b. in afwijking van het bepaalde onder a, kan de exploitant voor de niet voor het publiek opengestelde gedeelten van het luchtvaartterrein een andere maximum snelheid vaststellen;
c. op de niet voor het publiek toegankelijk gestelde gedeelten van het luchtvaartterrein, worden de verkeersbesluiten genomen door de exploitant;
d. het is een ieder verboden zich op de niet voor het publiek toegankelijk gestelde gedeelten van het luchtvaartterrein zodanig te gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt of dat het verkeer op de weg wordt gehinderd of kan worden gehinderd;
e. het is verboden op een weg op de niet voor het publiek toegankelijk gestelde gedeelten van het luchtvaartterrein een wedstrijd met voertuigen te houden of daaraan deel te nemen; 1º onder wedstrijd wordt voor de toepassing van het onder e gestelde verstaan, elk rijden met voertuigen ter vaststelling of vergelijking van prestaties, hetzij van de deelnemers, hetzij van de voertuigen, hetzij van onderdelen daarvan, hetzij van bedrijfsstoffen;
2º als deelnemers worden beschouwd de bestuurder van een voertuig waarmee aan een wedstrijd wordt deelgenomen en de eigenaar of houder van een voertuig, die daarmee aan een wedstrijd doet of laat deelnemen;
3º van het onder e gestelde verbod kan door de exploitant ontheffing worden verleend, met inachtneming van het bepaalde in artikel 148 van de Wegenverkeerswet 1994;
4º een ontheffing als bedoeld onder 3° kan slechts worden verleend, indien is aangetoond dat maatregelen zijn getroffen ter voorkoming van deelneming aan de wedstrijd zonder dat de burgerrechtelijke aansprakelijkheid voor schade waartoe het gebruik van een motorvoertuig tijdens de wedstrijd aanleiding kan geven is gedekt door een verzekering overeenkomstig de Wet Aansprakelijkheidsverzekering Motorrijtuigen;
1º onder wedstrijd wordt voor de toepassing van het onder e gestelde verstaan, elk rijden met voertuigen ter vaststelling of vergelijking van prestaties, hetzij van de deelnemers, hetzij van de voertuigen, hetzij van onderdelen daarvan, hetzij van bedrijfsstoffen;
2º als deelnemers worden beschouwd de bestuurder van een voertuig waarmee aan een wedstrijd wordt deelgenomen en de eigenaar of houder van een voertuig, die daarmee aan een wedstrijd doet of laat deelnemen;
3º van het onder e gestelde verbod kan door de exploitant ontheffing worden verleend, met inachtneming van het bepaalde in artikel 148 van de Wegenverkeerswet 1994;
4º een ontheffing als bedoeld onder 3° kan slechts worden verleend, indien is aangetoond dat maatregelen zijn getroffen ter voorkoming van deelneming aan de wedstrijd zonder dat de burgerrechtelijke aansprakelijkheid voor schade waartoe het gebruik van een motorvoertuig tijdens de wedstrijd aanleiding kan geven is gedekt door een verzekering overeenkomstig de Wet Aansprakelijkheidsverzekering Motorrijtuigen;
f. indien een overtreding van een verbod krachtens dit artikel wordt begaan door een bij de ontdekking daarvan onbekend gebleven bestuurder van een motorvoertuig, kan de eigenaar of houder van het motorvoertuig voor het feit worden gestraft voor zover deze niet reeds naast de bestuurder voor dat feit aansprakelijk is;
g. het bepaalde in het vorige lid geldt niet, indien de eigenaar of houder: 1) binnen veertien dagen na daartoe door een der met het toezicht of de opsporing van strafbare feiten belaste personen in de gelegenheid te zijn gesteld, de naam en het volledige adres van de bestuurder bekend maakt;
2) niet heeft kunnen vaststellen wie de bestuurder was en hem daarvan redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt.
1) binnen veertien dagen na daartoe door een der met het toezicht of de opsporing van strafbare feiten belaste personen in de gelegenheid te zijn gesteld, de naam en het volledige adres van de bestuurder bekend maakt;
2) niet heeft kunnen vaststellen wie de bestuurder was en hem daarvan redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt.
a. weggebruikers die aan het verkeer op de wegen van het luchtvaartterrein deelnemen, gedragen zich overeenkomstig de voorschriften als vervat in het Reglement verkeersregels en Verkeerstekens 1990;
b. in afwijking van het bepaalde onder a, kan de exploitant voor de niet voor het publiek opengestelde gedeelten van het luchtvaartterrein een andere maximum snelheid vaststellen;
c. op de niet voor het publiek toegankelijk gestelde gedeelten van het luchtvaartterrein, worden de verkeersbesluiten genomen door de exploitant;
d. het is een ieder verboden zich op de niet voor het publiek toegankelijk gestelde gedeelten van het luchtvaartterrein zodanig te gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt of dat het verkeer op de weg wordt gehinderd of kan worden gehinderd;
e. het is verboden op een weg op de niet voor het publiek toegankelijk gestelde gedeelten van het luchtvaartterrein een wedstrijd met voertuigen te houden of daaraan deel te nemen; 1º onder wedstrijd wordt voor de toepassing van het onder e gestelde verstaan, elk rijden met voertuigen ter vaststelling of vergelijking van prestaties, hetzij van de deelnemers, hetzij van de voertuigen, hetzij van onderdelen daarvan, hetzij van bedrijfsstoffen;
2º als deelnemers worden beschouwd de bestuurder van een voertuig waarmee aan een wedstrijd wordt deelgenomen en de eigenaar of houder van een voertuig, die daarmee aan een wedstrijd doet of laat deelnemen;
3º van het onder e gestelde verbod kan door de exploitant ontheffing worden verleend, met inachtneming van het bepaalde in artikel 148 van de Wegenverkeerswet 1994;
4º een ontheffing als bedoeld onder 3° kan slechts worden verleend, indien is aangetoond dat maatregelen zijn getroffen ter voorkoming van deelneming aan de wedstrijd zonder dat de burgerrechtelijke aansprakelijkheid voor schade waartoe het gebruik van een motorvoertuig tijdens de wedstrijd aanleiding kan geven is gedekt door een verzekering overeenkomstig de Wet Aansprakelijkheidsverzekering Motorrijtuigen;
1º onder wedstrijd wordt voor de toepassing van het onder e gestelde verstaan, elk rijden met voertuigen ter vaststelling of vergelijking van prestaties, hetzij van de deelnemers, hetzij van de voertuigen, hetzij van onderdelen daarvan, hetzij van bedrijfsstoffen;
2º als deelnemers worden beschouwd de bestuurder van een voertuig waarmee aan een wedstrijd wordt deelgenomen en de eigenaar of houder van een voertuig, die daarmee aan een wedstrijd doet of laat deelnemen;
3º van het onder e gestelde verbod kan door de exploitant ontheffing worden verleend, met inachtneming van het bepaalde in artikel 148 van de Wegenverkeerswet 1994;
4º een ontheffing als bedoeld onder 3° kan slechts worden verleend, indien is aangetoond dat maatregelen zijn getroffen ter voorkoming van deelneming aan de wedstrijd zonder dat de burgerrechtelijke aansprakelijkheid voor schade waartoe het gebruik van een motorvoertuig tijdens de wedstrijd aanleiding kan geven is gedekt door een verzekering overeenkomstig de Wet Aansprakelijkheidsverzekering Motorrijtuigen;
f. indien een overtreding van een verbod krachtens dit artikel wordt begaan door een bij de ontdekking daarvan onbekend gebleven bestuurder van een motorvoertuig, kan de eigenaar of houder van het motorvoertuig voor het feit worden gestraft voor zover deze niet reeds naast de bestuurder voor dat feit aansprakelijk is;
g. het bepaalde in het vorige lid geldt niet, indien de eigenaar of houder: 1) binnen veertien dagen na daartoe door een der met het toezicht of de opsporing van strafbare feiten belaste personen in de gelegenheid te zijn gesteld, de naam en het volledige adres van de bestuurder bekend maakt;
2) niet heeft kunnen vaststellen wie de bestuurder was en hem daarvan redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt.
1) binnen veertien dagen na daartoe door een der met het toezicht of de opsporing van strafbare feiten belaste personen in de gelegenheid te zijn gesteld, de naam en het volledige adres van de bestuurder bekend maakt;
2) niet heeft kunnen vaststellen wie de bestuurder was en hem daarvan redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt.
3. Terreinkennis: De bestuurders van voertuigen die aan het verkeer op de niet voor het publiek toegankelijke gedeelten van het luchtvaartterrein deelnemen, voldoen aan door de exploitant te stellen eisen van terreinkennis, radiotelefonieprocedures en rijvaardigheid.
4. Rijroutes: De bestuurders van voertuigen die aan het verkeer op de niet voor het publiek toegankelijke gedeelten van het luchtvaartterrein deelnemen, houden zich aan door de exploitant vastgestelde rijroutes.
5. Radio- en telefonieprocedures: Bestuurders van voertuigen voorzien van verbindingsmiddelen, brengen, voordat het landingsterrein wordt ingereden, tweezijdige verbinding tot stand met de havendienst of de luchtverkeersleidingsdienst en luisteren in het landingsterrein voortdurend op de hen toegewezen frequentie uit.
1. Voorschriften met betrekking tot het gebruik en het opstellen, parkeren of stallen van voertuigen op het luchtvaartterrein: a. voertuigen worden geparkeerd of gestald conform de door de exploitant gegeven aanwijzingen;
b. voertuigen parkeren op andere dan op de daarvoor bestemde parkeerplaatsen, is verboden, tenzij daarvoor schriftelijke toestemming is verleend door de exploitant;
c. het is verboden om elders dan op de daartoe door de exploitant aangewezen plaatsen, goederen over te laden, voertuigen te parkeren, te reinigen of te repareren;
d. zonder toestemming van de exploitant is het gebruik van voertuigen in gebouwen verboden;
e. in geval van overtreding van het onder a tot en met d bepaalde, dan wel wanneer de goede orde of veiligheid zulks vereisen, kan het betreffende voertuig door de exploitant worden verplaatst naar een daartoe door hem aangewezen terreingedeelte.
a. voertuigen worden geparkeerd of gestald conform de door de exploitant gegeven aanwijzingen;
b. voertuigen parkeren op andere dan op de daarvoor bestemde parkeerplaatsen, is verboden, tenzij daarvoor schriftelijke toestemming is verleend door de exploitant;
c. het is verboden om elders dan op de daartoe door de exploitant aangewezen plaatsen, goederen over te laden, voertuigen te parkeren, te reinigen of te repareren;
d. zonder toestemming van de exploitant is het gebruik van voertuigen in gebouwen verboden;
e. in geval van overtreding van het onder a tot en met d bepaalde, dan wel wanneer de goede orde of veiligheid zulks vereisen, kan het betreffende voertuig door de exploitant worden verplaatst naar een daartoe door hem aangewezen terreingedeelte.
2. Het gebruik van voertuigen op de niet voor het publiek opengestelde gedeelten van het luchtvaartterrein: a. weggebruikers die aan het verkeer op de wegen van het luchtvaartterrein deelnemen, gedragen zich overeenkomstig de voorschriften als vervat in het Reglement verkeersregels en Verkeerstekens 1990;
b. in afwijking van het bepaalde onder a, kan de exploitant voor de niet voor het publiek opengestelde gedeelten van het luchtvaartterrein een andere maximum snelheid vaststellen;
c. op de niet voor het publiek toegankelijk gestelde gedeelten van het luchtvaartterrein, worden de verkeersbesluiten genomen door de exploitant;
d. het is een ieder verboden zich op de niet voor het publiek toegankelijk gestelde gedeelten van het luchtvaartterrein zodanig te gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt of dat het verkeer op de weg wordt gehinderd of kan worden gehinderd;
e. het is verboden op een weg op de niet voor het publiek toegankelijk gestelde gedeelten van het luchtvaartterrein een wedstrijd met voertuigen te houden of daaraan deel te nemen; 1º onder wedstrijd wordt voor de toepassing van het onder e gestelde verstaan, elk rijden met voertuigen ter vaststelling of vergelijking van prestaties, hetzij van de deelnemers, hetzij van de voertuigen, hetzij van onderdelen daarvan, hetzij van bedrijfsstoffen;
2º als deelnemers worden beschouwd de bestuurder van een voertuig waarmee aan een wedstrijd wordt deelgenomen en de eigenaar of houder van een voertuig, die daarmee aan een wedstrijd doet of laat deelnemen;
3º van het onder e gestelde verbod kan door de exploitant ontheffing worden verleend, met inachtneming van het bepaalde in artikel 148 van de Wegenverkeerswet 1994;
4º een ontheffing als bedoeld onder 3° kan slechts worden verleend, indien is aangetoond dat maatregelen zijn getroffen ter voorkoming van deelneming aan de wedstrijd zonder dat de burgerrechtelijke aansprakelijkheid voor schade waartoe het gebruik van een motorvoertuig tijdens de wedstrijd aanleiding kan geven is gedekt door een verzekering overeenkomstig de Wet Aansprakelijkheidsverzekering Motorrijtuigen;
1º onder wedstrijd wordt voor de toepassing van het onder e gestelde verstaan, elk rijden met voertuigen ter vaststelling of vergelijking van prestaties, hetzij van de deelnemers, hetzij van de voertuigen, hetzij van onderdelen daarvan, hetzij van bedrijfsstoffen;
2º als deelnemers worden beschouwd de bestuurder van een voertuig waarmee aan een wedstrijd wordt deelgenomen en de eigenaar of houder van een voertuig, die daarmee aan een wedstrijd doet of laat deelnemen;
3º van het onder e gestelde verbod kan door de exploitant ontheffing worden verleend, met inachtneming van het bepaalde in artikel 148 van de Wegenverkeerswet 1994;
4º een ontheffing als bedoeld onder 3° kan slechts worden verleend, indien is aangetoond dat maatregelen zijn getroffen ter voorkoming van deelneming aan de wedstrijd zonder dat de burgerrechtelijke aansprakelijkheid voor schade waartoe het gebruik van een motorvoertuig tijdens de wedstrijd aanleiding kan geven is gedekt door een verzekering overeenkomstig de Wet Aansprakelijkheidsverzekering Motorrijtuigen;
f. indien een overtreding van een verbod krachtens dit artikel wordt begaan door een bij de ontdekking daarvan onbekend gebleven bestuurder van een motorvoertuig, kan de eigenaar of houder van het motorvoertuig voor het feit worden gestraft voor zover deze niet reeds naast de bestuurder voor dat feit aansprakelijk is;
g. het bepaalde in het vorige lid geldt niet, indien de eigenaar of houder: 1) binnen veertien dagen na daartoe door een der met het toezicht of de opsporing van strafbare feiten belaste personen in de gelegenheid te zijn gesteld, de naam en het volledige adres van de bestuurder bekend maakt;
2) niet heeft kunnen vaststellen wie de bestuurder was en hem daarvan redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt.
1) binnen veertien dagen na daartoe door een der met het toezicht of de opsporing van strafbare feiten belaste personen in de gelegenheid te zijn gesteld, de naam en het volledige adres van de bestuurder bekend maakt;
2) niet heeft kunnen vaststellen wie de bestuurder was en hem daarvan redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt.
a. weggebruikers die aan het verkeer op de wegen van het luchtvaartterrein deelnemen, gedragen zich overeenkomstig de voorschriften als vervat in het Reglement verkeersregels en Verkeerstekens 1990;
b. in afwijking van het bepaalde onder a, kan de exploitant voor de niet voor het publiek opengestelde gedeelten van het luchtvaartterrein een andere maximum snelheid vaststellen;
c. op de niet voor het publiek toegankelijk gestelde gedeelten van het luchtvaartterrein, worden de verkeersbesluiten genomen door de exploitant;
d. het is een ieder verboden zich op de niet voor het publiek toegankelijk gestelde gedeelten van het luchtvaartterrein zodanig te gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt of dat het verkeer op de weg wordt gehinderd of kan worden gehinderd;
e. het is verboden op een weg op de niet voor het publiek toegankelijk gestelde gedeelten van het luchtvaartterrein een wedstrijd met voertuigen te houden of daaraan deel te nemen; 1º onder wedstrijd wordt voor de toepassing van het onder e gestelde verstaan, elk rijden met voertuigen ter vaststelling of vergelijking van prestaties, hetzij van de deelnemers, hetzij van de voertuigen, hetzij van onderdelen daarvan, hetzij van bedrijfsstoffen;
2º als deelnemers worden beschouwd de bestuurder van een voertuig waarmee aan een wedstrijd wordt deelgenomen en de eigenaar of houder van een voertuig, die daarmee aan een wedstrijd doet of laat deelnemen;
3º van het onder e gestelde verbod kan door de exploitant ontheffing worden verleend, met inachtneming van het bepaalde in artikel 148 van de Wegenverkeerswet 1994;
4º een ontheffing als bedoeld onder 3° kan slechts worden verleend, indien is aangetoond dat maatregelen zijn getroffen ter voorkoming van deelneming aan de wedstrijd zonder dat de burgerrechtelijke aansprakelijkheid voor schade waartoe het gebruik van een motorvoertuig tijdens de wedstrijd aanleiding kan geven is gedekt door een verzekering overeenkomstig de Wet Aansprakelijkheidsverzekering Motorrijtuigen;
1º onder wedstrijd wordt voor de toepassing van het onder e gestelde verstaan, elk rijden met voertuigen ter vaststelling of vergelijking van prestaties, hetzij van de deelnemers, hetzij van de voertuigen, hetzij van onderdelen daarvan, hetzij van bedrijfsstoffen;
2º als deelnemers worden beschouwd de bestuurder van een voertuig waarmee aan een wedstrijd wordt deelgenomen en de eigenaar of houder van een voertuig, die daarmee aan een wedstrijd doet of laat deelnemen;
3º van het onder e gestelde verbod kan door de exploitant ontheffing worden verleend, met inachtneming van het bepaalde in artikel 148 van de Wegenverkeerswet 1994;
4º een ontheffing als bedoeld onder 3° kan slechts worden verleend, indien is aangetoond dat maatregelen zijn getroffen ter voorkoming van deelneming aan de wedstrijd zonder dat de burgerrechtelijke aansprakelijkheid voor schade waartoe het gebruik van een motorvoertuig tijdens de wedstrijd aanleiding kan geven is gedekt door een verzekering overeenkomstig de Wet Aansprakelijkheidsverzekering Motorrijtuigen;
f. indien een overtreding van een verbod krachtens dit artikel wordt begaan door een bij de ontdekking daarvan onbekend gebleven bestuurder van een motorvoertuig, kan de eigenaar of houder van het motorvoertuig voor het feit worden gestraft voor zover deze niet reeds naast de bestuurder voor dat feit aansprakelijk is;
g. het bepaalde in het vorige lid geldt niet, indien de eigenaar of houder: 1) binnen veertien dagen na daartoe door een der met het toezicht of de opsporing van strafbare feiten belaste personen in de gelegenheid te zijn gesteld, de naam en het volledige adres van de bestuurder bekend maakt;
2) niet heeft kunnen vaststellen wie de bestuurder was en hem daarvan redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt.
1) binnen veertien dagen na daartoe door een der met het toezicht of de opsporing van strafbare feiten belaste personen in de gelegenheid te zijn gesteld, de naam en het volledige adres van de bestuurder bekend maakt;
2) niet heeft kunnen vaststellen wie de bestuurder was en hem daarvan redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt.
3. Terreinkennis: De bestuurders van voertuigen die aan het verkeer op de niet voor het publiek toegankelijke gedeelten van het luchtvaartterrein deelnemen, voldoen aan door de exploitant te stellen eisen van terreinkennis, radiotelefonieprocedures en rijvaardigheid.
4. Rijroutes: De bestuurders van voertuigen die aan het verkeer op de niet voor het publiek toegankelijke gedeelten van het luchtvaartterrein deelnemen, houden zich aan door de exploitant vastgestelde rijroutes.
5. Radio- en telefonieprocedures: Bestuurders van voertuigen voorzien van verbindingsmiddelen, brengen, voordat het landingsterrein wordt ingereden, tweezijdige verbinding tot stand met de havendienst of de luchtverkeersleidingsdienst en luisteren in het landingsterrein voortdurend op de hen toegewezen frequentie uit.