BWBR0006990
Geldig vanaf 1995-10-01
Artikel 6
Besluit dierenvervoer 1994
1. De vervoerder:
a. vervoert de dieren niet en doet de dieren niet vervoeren onder zodanige omstandigheden dat zij worden blootgesteld aan letsel of onnodig lijden, en
b. vergewist zich ervan dat de dieren zonder vertraging naar hun plaats van bestemming worden vervoerd.
2. De vervoerder stelt bij het vervoer van éénhoevigen, runderen, schapen, geiten en varkens bestemd voor het intracommunautaire handelsverkeer of voor uitvoer naar derde landen, wanneer de reistijd langer is dan 8 uur, voor de gehele duur van de reis een reisschema op overeenkomstig het in hoofdstuk VIII van de bijlage bij richtlijn 91/628/EEGopgenomen model, onder vermelding van de eventuele halte- en overlaadplaatsen.
3. De vervoerder vergewist zich ervan dat:
a. het origineel van het reisschema op het juiste moment door de juiste personen naar behoren wordt in- en aangevuld;
b. het origineel van het reisschema gedurende de gehele reis gehecht is aan het certificaat, bedoeld in artikel 58, eerste lid, onderdeel a, van de wet;
c. de met het vervoer belaste personen in het reisschema de tijdstippen en plaatsen vermelden waarop de vervoerde dieren tijdens de reis gevoederd en gedrenkt zijn;
d. de met het vervoer belaste personen de dieren, die worden uitgevoerd naar een derde land en waarbij de reistijd over het grondgebied van de Europese Gemeenschap dan wel over zee op het tijdstip van het verlaten van het grondgebied langer dan 8 uren heeft geduurd, slechts verder vervoeren nadat de dieren door de in artikel 58, eerste lid, onderdeel a, van de wet bedoelde ambtenaar geschikt zijn bevonden om de reis voort te zetten en het reisschema door de ambtenaar na de controle is getekend, en
e. de met het vervoer belaste personen bij terugkeer het origineel van het reisschema binnen zeven dagen terugzenden aan de VWA.
4. Bij reizen over een afstand van meer dan 50 km, dient de vervoerder voorts:
a. te beschikken over een door de eigenaar ondertekend document waaruit het bedrijf, het centrum of de instelling van oorsprong van de dieren, de plaats van vertrek, de plaats van bestemming, alsmede de datum en het uur van vertrek blijkt, voor zover deze gegevens niet reeds op grond van een ander wettelijk voorschrift worden verstrekt;
b. bij reizen waarop punt 4 van hoofdstuk VII van de bijlage bij richtlijn 91/628/EEG van toepassing is en afhankelijk van de vervoerde diersoort, het bewijs te leveren dat maatregelen zijn genomen om te voorzien in de behoeften aan drinken en voedsel van de vervoerde dieren tijdens de reis, zelfs wanneer het reisschema, bedoeld in het tweede lid, wordt gewijzigd of de reis door onvoorziene omstandigheden wordt onderbroken, en
c. zich ervan te vergewissen dat de dieren van niet onder hoofdstuk VII van de bijlage bij richtlijn 91/628/EEG vallende soorten, tijdens het vervoer met passende tussenpozen en op passende wijze worden gedrenkt en gevoederd onverminderd hoofdstuk III van de genoemde bijlage.
5. De vervoerder bewaart gedurende zes maanden een duplicaat van de in het tweede en vierde lid, onderdeel a, bedoelde documenten.
6. De met het vervoer belaste personen dragen ervoor zorg dat een dier dat tijdens het vervoer ziek wordt of gewond raakt, zo spoedig mogelijk eerste hulp en indien nodig een passende diergeneeskundige behandeling krijgt. Zo nodig vindt onverwijld een speciale noodslachting plaats op zodanige wijze dat onnodig lijden wordt voorkomen.
a. vervoert de dieren niet en doet de dieren niet vervoeren onder zodanige omstandigheden dat zij worden blootgesteld aan letsel of onnodig lijden, en
b. vergewist zich ervan dat de dieren zonder vertraging naar hun plaats van bestemming worden vervoerd.
2. De vervoerder stelt bij het vervoer van éénhoevigen, runderen, schapen, geiten en varkens bestemd voor het intracommunautaire handelsverkeer of voor uitvoer naar derde landen, wanneer de reistijd langer is dan 8 uur, voor de gehele duur van de reis een reisschema op overeenkomstig het in hoofdstuk VIII van de bijlage bij richtlijn 91/628/EEGopgenomen model, onder vermelding van de eventuele halte- en overlaadplaatsen.
3. De vervoerder vergewist zich ervan dat:
a. het origineel van het reisschema op het juiste moment door de juiste personen naar behoren wordt in- en aangevuld;
b. het origineel van het reisschema gedurende de gehele reis gehecht is aan het certificaat, bedoeld in artikel 58, eerste lid, onderdeel a, van de wet;
c. de met het vervoer belaste personen in het reisschema de tijdstippen en plaatsen vermelden waarop de vervoerde dieren tijdens de reis gevoederd en gedrenkt zijn;
d. de met het vervoer belaste personen de dieren, die worden uitgevoerd naar een derde land en waarbij de reistijd over het grondgebied van de Europese Gemeenschap dan wel over zee op het tijdstip van het verlaten van het grondgebied langer dan 8 uren heeft geduurd, slechts verder vervoeren nadat de dieren door de in artikel 58, eerste lid, onderdeel a, van de wet bedoelde ambtenaar geschikt zijn bevonden om de reis voort te zetten en het reisschema door de ambtenaar na de controle is getekend, en
e. de met het vervoer belaste personen bij terugkeer het origineel van het reisschema binnen zeven dagen terugzenden aan de VWA.
4. Bij reizen over een afstand van meer dan 50 km, dient de vervoerder voorts:
a. te beschikken over een door de eigenaar ondertekend document waaruit het bedrijf, het centrum of de instelling van oorsprong van de dieren, de plaats van vertrek, de plaats van bestemming, alsmede de datum en het uur van vertrek blijkt, voor zover deze gegevens niet reeds op grond van een ander wettelijk voorschrift worden verstrekt;
b. bij reizen waarop punt 4 van hoofdstuk VII van de bijlage bij richtlijn 91/628/EEG van toepassing is en afhankelijk van de vervoerde diersoort, het bewijs te leveren dat maatregelen zijn genomen om te voorzien in de behoeften aan drinken en voedsel van de vervoerde dieren tijdens de reis, zelfs wanneer het reisschema, bedoeld in het tweede lid, wordt gewijzigd of de reis door onvoorziene omstandigheden wordt onderbroken, en
c. zich ervan te vergewissen dat de dieren van niet onder hoofdstuk VII van de bijlage bij richtlijn 91/628/EEG vallende soorten, tijdens het vervoer met passende tussenpozen en op passende wijze worden gedrenkt en gevoederd onverminderd hoofdstuk III van de genoemde bijlage.
5. De vervoerder bewaart gedurende zes maanden een duplicaat van de in het tweede en vierde lid, onderdeel a, bedoelde documenten.
6. De met het vervoer belaste personen dragen ervoor zorg dat een dier dat tijdens het vervoer ziek wordt of gewond raakt, zo spoedig mogelijk eerste hulp en indien nodig een passende diergeneeskundige behandeling krijgt. Zo nodig vindt onverwijld een speciale noodslachting plaats op zodanige wijze dat onnodig lijden wordt voorkomen.