BWBR0006974
Geldig vanaf 1995-01-01
Artikel 3
Besluit gelden regionaal verkeersveiligheidsbeleid
1. Het Interprovinciaal Overleg doet jaarlijks vóór 1 oktober een voordracht aan Onze Minister inzake de verdeling over de provincies van de door Onze Minister aan de provincies ter beschikking te stellen gelden, uitgedrukt in percentages.
Het Interprovinciaal Overleg houdt bij de voordracht rekening met:
a. de ontwikkelingen ter zake van het aantal verkeersslachtoffers per provincie in het jaar voorafgaande aan de voordracht alsmede met de ontwikkelingen in de eerste helft van het jaar van de desbetreffende voordracht,
b. bijzondere activiteiten in een provincie in het kader van het streven naar een duurzaam veilig verkeers- en vervoerssysteem,
c. bijzondere activiteiten in een provincie ter versterking van de regionale samenwerking op het gebied van de verkeersveiligheid, en
d. de mate waarin de in het daaraan voorafgaande jaar verstrekte bijdragen per provincie zijn besteed.
2. Indien de in het eerste lid bedoelde voordracht niet voor 1 oktober tot stand komt, gaat Onze Minister over tot verdeling van de bijdragen over de provincies. Onze Minister houdt daarbij rekening met het bepaalde in het eerste lid, onder atot en met d.
3. Onze Minister kan na overleg met het Interprovinciaal Overleg een andere verdeling, dan bedoeld in het eerste lid, toepassen:
a. indien geen verslag, bedoeld in artikel 7, eerste lid, is overgelegd;
b. indien onvoorziene ontwikkelingen in de verkeersveiligheid in een provincie noodzaken tot een extra financiële impuls in die provincie, of
c. indien de mate of de wijze van besteding van de bijdrage door een provincie daartoe aanleiding geven.
4. Van de toepassing van het bepaalde in het tweede en derde lid stelt Onze Minister de provincies alsmede het Interprovinciaal Overleg zo spoedig mogelijk op de hoogte.
Het Interprovinciaal Overleg houdt bij de voordracht rekening met:
a. de ontwikkelingen ter zake van het aantal verkeersslachtoffers per provincie in het jaar voorafgaande aan de voordracht alsmede met de ontwikkelingen in de eerste helft van het jaar van de desbetreffende voordracht,
b. bijzondere activiteiten in een provincie in het kader van het streven naar een duurzaam veilig verkeers- en vervoerssysteem,
c. bijzondere activiteiten in een provincie ter versterking van de regionale samenwerking op het gebied van de verkeersveiligheid, en
d. de mate waarin de in het daaraan voorafgaande jaar verstrekte bijdragen per provincie zijn besteed.
2. Indien de in het eerste lid bedoelde voordracht niet voor 1 oktober tot stand komt, gaat Onze Minister over tot verdeling van de bijdragen over de provincies. Onze Minister houdt daarbij rekening met het bepaalde in het eerste lid, onder atot en met d.
3. Onze Minister kan na overleg met het Interprovinciaal Overleg een andere verdeling, dan bedoeld in het eerste lid, toepassen:
a. indien geen verslag, bedoeld in artikel 7, eerste lid, is overgelegd;
b. indien onvoorziene ontwikkelingen in de verkeersveiligheid in een provincie noodzaken tot een extra financiële impuls in die provincie, of
c. indien de mate of de wijze van besteding van de bijdrage door een provincie daartoe aanleiding geven.
4. Van de toepassing van het bepaalde in het tweede en derde lid stelt Onze Minister de provincies alsmede het Interprovinciaal Overleg zo spoedig mogelijk op de hoogte.