BWBR0006869
Geldig vanaf 1995-01-01
Artikel 3
Verhaalsbesluit ABP
1. Geen verhaal vindt plaats gedurende de tijd die krachtens artikel F 2, eerste lid, derde lid, onderdeel a, of vierde lid, van de Abp-wetniet meetelt bij de pensioenberekening.
2. Gedurende de tijd die krachtens artikel F 2, eerste of tweede lid, van de Abp-wetmeetelt bij de pensioenberekening en waarin de deelnemer uitsluitend in zijn persoonlijk belang is ontheven van de uitoefening van zijn betrekking, is het verhaal gelijk aan de pensioenbijdrage die de betrokken werkgever voor hem verschuldigd is. Dit lid is niet van toepassing indien de ontheffing is verleend voor ten hoogste veertien aaneengesloten kalenderdagen.
3. Tenzij bij de ontheffing anders is bepaald, is gedurende de tijd waarin de deelnemer uitsluitend in zijn persoonlijk belang gedeeltelijk van de uitoefening van zijn betrekking is ontheven en artikel C 1, derde lid, van de Abp-wettoepassing vindt, het tweede lid van overeenkomstige toepassing voor zover het betreft de gedeelten van de verschuldigde pensioenbijdrage en van het verschuldigde verhaal die kunnen worden geacht betrekking te hebben op de tijd waarvoor de ontheffing geldt.
4. Ten aanzien van een deelnemer die ouderschapsverlof geniet, vindt verhaal plaats overeenkomstig artikel 10van de wet.
5. Gedurende de tijd die meetelt bij de pensioenberekening en waarin de deelnemer niet uitsluitend in zijn persoonlijk belang dan wel voor ten hoogste veertien aaneengesloten kalenderdagen uitsluitend in zijn persoonlijk belang is ontheven van de uitoefening van zijn betrekking, wordt het verhaal berekend overeenkomstig artikel 10van de wet dan wel artikel 2van dit besluit, met dien verstande dat de betrokken werkgever ter zake van dat verhaal nadere voorwaarden kan stellen bij de bedoelde ontheffing.
2. Gedurende de tijd die krachtens artikel F 2, eerste of tweede lid, van de Abp-wetmeetelt bij de pensioenberekening en waarin de deelnemer uitsluitend in zijn persoonlijk belang is ontheven van de uitoefening van zijn betrekking, is het verhaal gelijk aan de pensioenbijdrage die de betrokken werkgever voor hem verschuldigd is. Dit lid is niet van toepassing indien de ontheffing is verleend voor ten hoogste veertien aaneengesloten kalenderdagen.
3. Tenzij bij de ontheffing anders is bepaald, is gedurende de tijd waarin de deelnemer uitsluitend in zijn persoonlijk belang gedeeltelijk van de uitoefening van zijn betrekking is ontheven en artikel C 1, derde lid, van de Abp-wettoepassing vindt, het tweede lid van overeenkomstige toepassing voor zover het betreft de gedeelten van de verschuldigde pensioenbijdrage en van het verschuldigde verhaal die kunnen worden geacht betrekking te hebben op de tijd waarvoor de ontheffing geldt.
4. Ten aanzien van een deelnemer die ouderschapsverlof geniet, vindt verhaal plaats overeenkomstig artikel 10van de wet.
5. Gedurende de tijd die meetelt bij de pensioenberekening en waarin de deelnemer niet uitsluitend in zijn persoonlijk belang dan wel voor ten hoogste veertien aaneengesloten kalenderdagen uitsluitend in zijn persoonlijk belang is ontheven van de uitoefening van zijn betrekking, wordt het verhaal berekend overeenkomstig artikel 10van de wet dan wel artikel 2van dit besluit, met dien verstande dat de betrokken werkgever ter zake van dat verhaal nadere voorwaarden kan stellen bij de bedoelde ontheffing.