BWBR0006849
Geldig vanaf 1994-08-26
Artikel 3
Faciliteitenbesluit opvangcentra
1. Aan een gemeente waarin een opvangcentrum is gevestigd, wordt jaarlijks door het orgaan een uitkering verstrekt op basis van het aantal door asielzoekers permanent te bezetten capaciteitsplaatsen verminderd met het aantal op 1 januari van het uitkeringsjaar in de basisregistratie personen ingeschreven bewoners van het opvangcentrum.
2. De uitkering is het produkt van het in het eerste lid bedoelde aantal capaciteitsplaatsen verminderd met het aantal op 1 januari van het uitkeringsjaar in de basisregistratie personen ingeschreven bewoners van het opvangcentrum, de uitkeringsfactor en de gewogen som van de bedragen per eenheid voor:
1°. het aantal inwoners van de gemeente;
2°. het aantal inwoners van de gemeente met een leeftijd van 19 jaar en minder;
3°. het aantal inwoners van de gemeente met een leeftijd van 65 jaar en meer.
3. De in het tweede lid bedoelde weging wordt bepaald door de onderdelen 1°, 2° en 3° te vermenigvuldigen met respectievelijk 1; 0,34 en 0,01.
4. Bij de berekening van de uitkering worden voor de uitkeringsfactor en de bedragen per eenheid waarden gehanteerd die overeenkomen met de verwachte uitkeringsfactor en de verwachte bedragen per eenheid, zoals die over het uitkeringsjaar bekend zijn gemaakt door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Onze Minister van Financiën, naar de stand van 31 december van het jaar voorafgaand aan het uitkeringsjaar.
5. Voor de toepassing van dit artikel worden onder asielzoekers mede begrepen vreemdelingen met betrekking tot wie Onze Minister overeenkomstig artikel 3, tweede lid, van de wet aan het orgaan taken heeft opgedragen.
2. De uitkering is het produkt van het in het eerste lid bedoelde aantal capaciteitsplaatsen verminderd met het aantal op 1 januari van het uitkeringsjaar in de basisregistratie personen ingeschreven bewoners van het opvangcentrum, de uitkeringsfactor en de gewogen som van de bedragen per eenheid voor:
1°. het aantal inwoners van de gemeente;
2°. het aantal inwoners van de gemeente met een leeftijd van 19 jaar en minder;
3°. het aantal inwoners van de gemeente met een leeftijd van 65 jaar en meer.
3. De in het tweede lid bedoelde weging wordt bepaald door de onderdelen 1°, 2° en 3° te vermenigvuldigen met respectievelijk 1; 0,34 en 0,01.
4. Bij de berekening van de uitkering worden voor de uitkeringsfactor en de bedragen per eenheid waarden gehanteerd die overeenkomen met de verwachte uitkeringsfactor en de verwachte bedragen per eenheid, zoals die over het uitkeringsjaar bekend zijn gemaakt door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Onze Minister van Financiën, naar de stand van 31 december van het jaar voorafgaand aan het uitkeringsjaar.
5. Voor de toepassing van dit artikel worden onder asielzoekers mede begrepen vreemdelingen met betrekking tot wie Onze Minister overeenkomstig artikel 3, tweede lid, van de wet aan het orgaan taken heeft opgedragen.