BWBR0006817
Geldig vanaf 1994-08-07
Artikel 2
Regeling aflopende toelage inconveniëntentoelage en toelage onregelmatige dienst politie
1. Voor de aflopende toelage geldt als berekeningsbasis het verschil tussen het bedrag dat de ambtenaar over de 12 kalendermaanden voorafgaande aan de datum waarop de blijvende verlaging van zijn bezoldiging intreedt, gemiddeld per maand aan inconveniëntentoelage dan wel toelage onregelmatige dienst heeft genoten en het bedrag dat hij daarna per maand gaat genieten aan inconveniëntentoelage dan wel toelage onregelmatige dienst en aan verhogingen van het salaris, anders dan die wegens salariswijzigingen.
2. De overgangsperiode voor de aflopende toelage is gelijk aan een vierde gedeelte van de tijd gedurende welke de ambtenaar de inconveniëntentoelage of een daarmee overeenkomende toelage dan wel de toelage onregelmatige dienst of een daarmee overeenkomende toelage onmiddellijk voorafgaande aan het tijdstip van de blijvende verlaging van zijn bezoldiging zonder wezenlijke onderbreking heeft genoten. Bij het berekenen van het aantal maanden vindt een afronding naar boven plaats op een geheel aantal maanden. De overgangsperiode voor de aflopende toelage bestrijkt maximaal 36 maanden.
3. De overgangsperiode voor de aflopende toelage wordt in drie gelijke delen gesplitst, waarbij afronding op een hele maand plaatsvindt en het eerste en eventueel het tweede deel naar boven worden afgerond, met dien verstande dat de ingevolge het tweede lid vastgestelde totale duur van de overgangsperiode van de toelage niet mag worden overschreden. De toelage bedraagt gedurende deze drie deelperioden achtereenvolgens 75%, 50% en 25% van de voor de desbetreffende maand of maanden van toepassing zijnde berekeningsbasis.
4. Indien de blijvende verlaging van de bezoldiging intreedt op de eerste dag van een maand wordt de aflopende toelage met ingang van die datum toegekend. Treedt deze verlaging in op een andere dag van de maand, dan wordt de toelage toegekend met ingang van de eerste dag van de erop volgende maand. In dat laatste geval wordt aan de ambtenaar over de maand waarin de blijvende verlaging intreedt, een aanvulling verleend op het door hem over die maand genoten bedrag aan inconveniëntentoelage dan wel toelage onregelmatige dienst tot het gemiddelde maandbedrag dat hij over de 12 maanden voorafgaande aan deze verlaging aan inconveniëntentoelage dan wel toelage onregelmatige dienst heeft genoten.
5. De aflopende toelage wordt niet toegekend over een maand waarop een berekeningsbasis van toepassing is die lager is dan 3% van het salaris van de ambtenaar zoals dat gold op de dag voorafgaande aan die waarop de blijvende verlaging van zijn bezoldiging intrad.
6. In geval van een salariswijziging wordt voor de toepassing van deze regeling rekening gehouden met een fictieve wijziging van het in het eerste lid bedoelde bedrag van het door de ambtenaar gemiddeld per maand genoten bedrag aan inconveniëntentoelage dan wel toelage onregelmatige dienst alsmede van het in het vijfde lid bedoelde salaris, tot het percentage van deze wijziging of tot een bedrag naar rato indien de salariswijziging niet of niet volledig in percenten plaatsvindt.
7. Wanneer binnen een jaar na de ingangsdatum van een aflopende toelage aanspraak ontstaat op een nieuwe aflopende toelage geldt voor laatstbedoelde toelage in zoverre een afwijkende berekeningsbasis, dat voor de toepassing van het eerste lid in plaats van ‘de 12 kalendermaanden voorafgaande aan de datum waarop de blijvende verlaging van zijn bezoldiging intreedt’ moet worden gehanteerd: de periode, liggende tussen de aanvangsdatum van de reeds bestaande aflopende toelage en de eerste dag van de maand waarin sprake is van een blijvende verlaging van de bezoldiging, welke aanspraak geeft op een nieuwe aflopende toelage.
8. Wanneer binnen een ingevolge het tweede lid vastgestelde overgangsperiode als gevolg van een wijziging in de berekeningsbasis de aflopende toelage moet worden verminderd, verandert de duur van de reeds vastgestelde overgangsperiode niet.
2. De overgangsperiode voor de aflopende toelage is gelijk aan een vierde gedeelte van de tijd gedurende welke de ambtenaar de inconveniëntentoelage of een daarmee overeenkomende toelage dan wel de toelage onregelmatige dienst of een daarmee overeenkomende toelage onmiddellijk voorafgaande aan het tijdstip van de blijvende verlaging van zijn bezoldiging zonder wezenlijke onderbreking heeft genoten. Bij het berekenen van het aantal maanden vindt een afronding naar boven plaats op een geheel aantal maanden. De overgangsperiode voor de aflopende toelage bestrijkt maximaal 36 maanden.
3. De overgangsperiode voor de aflopende toelage wordt in drie gelijke delen gesplitst, waarbij afronding op een hele maand plaatsvindt en het eerste en eventueel het tweede deel naar boven worden afgerond, met dien verstande dat de ingevolge het tweede lid vastgestelde totale duur van de overgangsperiode van de toelage niet mag worden overschreden. De toelage bedraagt gedurende deze drie deelperioden achtereenvolgens 75%, 50% en 25% van de voor de desbetreffende maand of maanden van toepassing zijnde berekeningsbasis.
4. Indien de blijvende verlaging van de bezoldiging intreedt op de eerste dag van een maand wordt de aflopende toelage met ingang van die datum toegekend. Treedt deze verlaging in op een andere dag van de maand, dan wordt de toelage toegekend met ingang van de eerste dag van de erop volgende maand. In dat laatste geval wordt aan de ambtenaar over de maand waarin de blijvende verlaging intreedt, een aanvulling verleend op het door hem over die maand genoten bedrag aan inconveniëntentoelage dan wel toelage onregelmatige dienst tot het gemiddelde maandbedrag dat hij over de 12 maanden voorafgaande aan deze verlaging aan inconveniëntentoelage dan wel toelage onregelmatige dienst heeft genoten.
5. De aflopende toelage wordt niet toegekend over een maand waarop een berekeningsbasis van toepassing is die lager is dan 3% van het salaris van de ambtenaar zoals dat gold op de dag voorafgaande aan die waarop de blijvende verlaging van zijn bezoldiging intrad.
6. In geval van een salariswijziging wordt voor de toepassing van deze regeling rekening gehouden met een fictieve wijziging van het in het eerste lid bedoelde bedrag van het door de ambtenaar gemiddeld per maand genoten bedrag aan inconveniëntentoelage dan wel toelage onregelmatige dienst alsmede van het in het vijfde lid bedoelde salaris, tot het percentage van deze wijziging of tot een bedrag naar rato indien de salariswijziging niet of niet volledig in percenten plaatsvindt.
7. Wanneer binnen een jaar na de ingangsdatum van een aflopende toelage aanspraak ontstaat op een nieuwe aflopende toelage geldt voor laatstbedoelde toelage in zoverre een afwijkende berekeningsbasis, dat voor de toepassing van het eerste lid in plaats van ‘de 12 kalendermaanden voorafgaande aan de datum waarop de blijvende verlaging van zijn bezoldiging intreedt’ moet worden gehanteerd: de periode, liggende tussen de aanvangsdatum van de reeds bestaande aflopende toelage en de eerste dag van de maand waarin sprake is van een blijvende verlaging van de bezoldiging, welke aanspraak geeft op een nieuwe aflopende toelage.
8. Wanneer binnen een ingevolge het tweede lid vastgestelde overgangsperiode als gevolg van een wijziging in de berekeningsbasis de aflopende toelage moet worden verminderd, verandert de duur van de reeds vastgestelde overgangsperiode niet.