1. Onder pensioen wordt verstaan een pensioen of uitkering krachtens of vanwege:
a. een pensioenregeling op grond van een pensioentoezegging in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Pensioen- en spaarfondsenwet, waaronder begrepen een pensioentoezegging welke met toepassing van artikel 2, derde lid, van die wet, niet overeenkomstig dat eerste lid wordt uitgevoerd;
b. de Algemene burgerlijke pensioenwet;
c. de Algemene militaire pensioenwet of een vroegere militaire pensioenwet in de zin van die wet;
d. vervallen
e. de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers;
f. een pensioenregeling als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder c en d, van de Toeslagwet Indonesische Pensioenen 1956;
g. de Toeslagregeling pensioenen Suriname en Nederlandse Antillen;
h. het Pensioenreglement Nederlands Nieuw Guinea (Gouvernementsblad van Nederlands Nieuw Guinea 1958, 83);
i. de Wet aanpassing pensioenvoorzieningen Bijstandskorps;
j. de Wet van 27 juli 1960, (Stb. 314) houdende maatregelen met betrekking tot de pensioenen van het personeel van de Koninklijke Hofhouding;
k. de pensioenregeling, bedoeld in de Wet tot invoering van een leeftijdsgrens voor het notarisambt en oprichting van een notarieel pensioenfonds (Stb. 1954, 407);
l. de pensioenregeling van de Stichting Pensioenfonds van Collecteurs en Collectrices van de Nederlandse Staatsloterij, bedoeld in artikel 41 van de Wet op kansspelen;
m. een beroepspensioenregeling in de zin van de Wet betreffende verplichte deelneming in een beroepspensioenregeling;
n. een pensioenregeling op grond van een pensioentoezegging van een natuurlijk persoon aan degene die met hem een overeenkomst heeft tot het verrichten van huiselijke of andere persoonlijke diensten;
o. de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945;
p. de Wet uitkeringen vervolgensslachtoffers 1940–1945;
q. de Wet buitengewoon pensioen zeelieden oorlogsslachtoffers;
r. de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940–1945;
s. de Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet;
t. de Stichting Friesland 1940–1945;
u. de Stichting Sneek 1940–1945;
v. de Algemeene oorlogsongevallenregeling (Staatsblad van Nederlandsch-Indië 1946, 48);
w. een buitenlandse sociale verzekeringswet of een buitenlandse pensioenregeling ter zake van ouderdom of overlijden;
x. de Garantiewet Surinaamse pensioenen.
2. Onder pensioen wordt voorts verstaan een pensioen of uitkering gegeven in aanvulling op een in het eerste lid bedoeld pensioen, in welke vorm of onder welke benaming ook. Tevens wordt onder pensioen verstaan een uitkering, gegeven door of vanwege de voormalige werkgever ter overbrugging van de periode gelegen tussen de eerste dag van de maand waarin de leeftijd van 65 jaar is bereikt en de ingangsdatum van het in het eerste lid bedoelde pensioen, indien die ingangsdatum ligt op een later tijdstip dan de eerste dag van de maand, volgend op die waarin de leeftijd van 65 jaar is bereikt.
3. Onder pensioen wordt voorts verstaan een bij wijze van pensioenverevening ingevolge de Wet van 28 april 1994 tot vaststelling van regels met betrekking tot de verevening van pensioenrechten bij echtscheiding of scheiding van tafel en bed (
Wet verevening pensioenrechten bij scheiding) en daarmee verband houdende wijzigingen in andere wetten (Stb. 342) ontvangen pensioen als bedoeld in het eerste lid, waarop de vereveningsgerechtigde jegens de pensioeninstelling een eigen aanspraak heeft.
4. Van een in het eerste of tweede lid bedoeld pensioen blijft buiten beschouwing dat deel van het pensioen dat niet door de pensioeninstelling aan de tot verevening verplichte ex-echtgenoot wordt uitbetaald, omdat vanwege pensioenverevening overeenkomstig de in het derde lid genoemde wet de vereveningsgerechtigde voor dat deel van het pensioen een eigen aanspraak jegens de pensioeninstelling heeft.