BWBR0006717
Geldig vanaf 2001-07-15
Artikel 3a
Besluit tenuitvoerlegging geldboeten
1. In geval krachtens artikel 257b van het Wetboek van Strafvorderingeen strafbeschikking zal worden uitgevaardigd kan de betrokken korpschef, bedoeld in artikel 3.1, tweede lid, van het Besluit OM-afdoening, bepalen dat betaling van de geldboete eveneens kan geschieden op een plaats die is aangewezen door de bevoegde ambtenaar in de zin van artikel 3.1 van het Besluit OM-afdoening of door het ter plaatse overschrijven op een daartoe bestemde bankrekening. Betaling geschiedt in dat geval binnen een dag na die waarop het strafbare feit is ontdekt.
2. Als plaats van betaling, bedoeld in het eerste lid, wordt slechts aangewezen een politiebureau, een gebouw van de organisatie van de bevoegde ambtenaar, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit OM-afdoening, of een douanekantoor of, indien de bevoegde ambtenaar een militair van de Koninklijke marechaussee is, een brigadebureau of de betrokken doorlaatpost, dan wel een tijdelijke plaats van betaling, ingesteld door of vanwege de betrokken korpschef, bedoeld in artikel 3.1 van het Besluit OM-afdoening.
3. Door of vanwege de korpschef, bedoeld in artikel 3.1 van het Besluit OM-afdoening, worden ambtenaren aangewezen die zijn belast met de inning van gelden die overeenkomstig het eerste lid worden betaald.
4. De met inning belaste ambtenaar wordt in het bezit gesteld van een lijst met feiten als bedoeld in artikel 3.6, tweede lid, van het Besluit OM-afdoening. Desgevraagd verleent hij degene die betaalt inzage in deze lijst.
2. Als plaats van betaling, bedoeld in het eerste lid, wordt slechts aangewezen een politiebureau, een gebouw van de organisatie van de bevoegde ambtenaar, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit OM-afdoening, of een douanekantoor of, indien de bevoegde ambtenaar een militair van de Koninklijke marechaussee is, een brigadebureau of de betrokken doorlaatpost, dan wel een tijdelijke plaats van betaling, ingesteld door of vanwege de betrokken korpschef, bedoeld in artikel 3.1 van het Besluit OM-afdoening.
3. Door of vanwege de korpschef, bedoeld in artikel 3.1 van het Besluit OM-afdoening, worden ambtenaren aangewezen die zijn belast met de inning van gelden die overeenkomstig het eerste lid worden betaald.
4. De met inning belaste ambtenaar wordt in het bezit gesteld van een lijst met feiten als bedoeld in artikel 3.6, tweede lid, van het Besluit OM-afdoening. Desgevraagd verleent hij degene die betaalt inzage in deze lijst.