BWBR0006658
Geldig vanaf 1994-06-05
Artikel 10
Regeling vergoeding verplaatsingskosten politie
1. De tegemoetkoming in de reiskosten, bedoeld in artikel 11, eerste lid, van het besluit, is gelijk aan de kosten van het openbaar vervoer naar de hoogste klasse met een maximum van € 111,61 per maand.
2. De betrokkene heeft aanspraak op een tegemoetkoming in de reiskosten van € 0,15 per afgelegde kilometer, indien binnen twee kilometer van zijn feitelijke plaats van tewerkstelling of zijn woning in het geheel geen opstapplaats voor relevant openbaar vervoer aanwezig is.
3. Ingeval geen aanspraak bestaat op grond van het tweede lid heeft de betrokkene aanspraak op een tegemoetkoming in de reiskosten van € 0,15 per afgelegde kilometer tot een maximum van in totaal 56 kilometer per heen- en terugreis woon-werkverkeer, indien:
bij het einde van een dienst, welke dienst geheel of gedeeltelijk is gelegen tussen 00.00 en 06.00 uur, binnen 15 minuten na het einde van die dienst geen openbaar vervoer naar zijn woning beschikbaar is;
hij met gebruik van openbaar vervoer vanaf de woning niet tussen 30 en 5 minuten voor aanvang van de dienst, welke dienst geheel of gedeeltelijk is gelegen tussen 00.00 en 06.00 uur, op de feitelijke plaats van tewerkstelling aanwezig kan zijn;
hij gebruikmakend van de eerste mogelijkheid van openbaar vervoer op die dag niet tussen 30 en 5 minuten vóór aanvang van de vroege dienst op de feitelijke plaats van tewerkstelling aanwezig kan zijn; of
op zaterdag, zondag of een feestdag dienst moet worden gedaan en het rooster voor het openbaar vervoer andere tijden kent dan op andere dagen en hij met gebruik van openbaar vervoer vanaf de woning niet tussen 30 en 5 minuten vóór aanvang van de dienst op de feitelijke plaats van tewerkstelling aanwezig kan zijn, dan wel na het beëindigen van de dienst binnen 30 minuten geen openbaar vervoer beschikbaar is.
De uitbetaling van het bedrag van € 0,15 per afgelegde kilometer geschiedt op declaratiebasis. Ter vervanging hiervan kan het bevoegd gezag een vast bedrag per maand toekennen.
4. Voorzover de betrokkene een tegemoetkoming krijgt als bedoeld in het eerste lid en hij op grond van het derde lid aanspraak maakt op een tegemoetkoming, vindt telkens vermindering plaats met 1/22e deel van de tegemoetkoming, bedoeld in het eerste lid. Vermindering vindt niet plaats in het geval dat betrokkene voor het woon-werkverkeer een openbaar vervoerkaart heeft en dit gelet op zijn reispatroon voor het woonwerkverkeer het minst kostbaar is.
5. In de gevallen bedoeld in het tweede en derde lid, bedraagt de tegemoetkoming in de reiskosten in afwijking van het eerste lid maximaal € 185,34 per maand gedifferentieerd naar het aantal dagen per week.
2. De betrokkene heeft aanspraak op een tegemoetkoming in de reiskosten van € 0,15 per afgelegde kilometer, indien binnen twee kilometer van zijn feitelijke plaats van tewerkstelling of zijn woning in het geheel geen opstapplaats voor relevant openbaar vervoer aanwezig is.
3. Ingeval geen aanspraak bestaat op grond van het tweede lid heeft de betrokkene aanspraak op een tegemoetkoming in de reiskosten van € 0,15 per afgelegde kilometer tot een maximum van in totaal 56 kilometer per heen- en terugreis woon-werkverkeer, indien:
bij het einde van een dienst, welke dienst geheel of gedeeltelijk is gelegen tussen 00.00 en 06.00 uur, binnen 15 minuten na het einde van die dienst geen openbaar vervoer naar zijn woning beschikbaar is;
hij met gebruik van openbaar vervoer vanaf de woning niet tussen 30 en 5 minuten voor aanvang van de dienst, welke dienst geheel of gedeeltelijk is gelegen tussen 00.00 en 06.00 uur, op de feitelijke plaats van tewerkstelling aanwezig kan zijn;
hij gebruikmakend van de eerste mogelijkheid van openbaar vervoer op die dag niet tussen 30 en 5 minuten vóór aanvang van de vroege dienst op de feitelijke plaats van tewerkstelling aanwezig kan zijn; of
op zaterdag, zondag of een feestdag dienst moet worden gedaan en het rooster voor het openbaar vervoer andere tijden kent dan op andere dagen en hij met gebruik van openbaar vervoer vanaf de woning niet tussen 30 en 5 minuten vóór aanvang van de dienst op de feitelijke plaats van tewerkstelling aanwezig kan zijn, dan wel na het beëindigen van de dienst binnen 30 minuten geen openbaar vervoer beschikbaar is.
De uitbetaling van het bedrag van € 0,15 per afgelegde kilometer geschiedt op declaratiebasis. Ter vervanging hiervan kan het bevoegd gezag een vast bedrag per maand toekennen.
4. Voorzover de betrokkene een tegemoetkoming krijgt als bedoeld in het eerste lid en hij op grond van het derde lid aanspraak maakt op een tegemoetkoming, vindt telkens vermindering plaats met 1/22e deel van de tegemoetkoming, bedoeld in het eerste lid. Vermindering vindt niet plaats in het geval dat betrokkene voor het woon-werkverkeer een openbaar vervoerkaart heeft en dit gelet op zijn reispatroon voor het woonwerkverkeer het minst kostbaar is.
5. In de gevallen bedoeld in het tweede en derde lid, bedraagt de tegemoetkoming in de reiskosten in afwijking van het eerste lid maximaal € 185,34 per maand gedifferentieerd naar het aantal dagen per week.