Artikel 1
1. De literaire genres voor het centraal examen klassieke taal en letterkunde, alsmede voor het schriftelijk gedeelte van het staatsexamen klassieke taal en letterkunde, zijn in 1993
a. Griekse taal en letterkunde: filosofisch proza; kernauteur Plato;
b. Latijnse taal en letterkunde: historisch proza; kernauteur Tacitus.
2. De literaire genres voor het centraal examen klassieke taal en letterkunde, alsmede voor het schriftelijk gedeelte van het staatsexamen klassieke taal en letterkunde, zijn in 1994
a. Griekse taal en letterkunde: tragedie; kernauteur Sophocles;
b. Latijnse taal en letterkunde: rhetorisch proza; kernauteur Cicero.
3. Het lectuurpensum voor onder 1 en 2 genoemde genres en de daarop afgestemde examenstof worden bekendgemaakt in de als bijlage bij deze regeling gevoegde syllabi.
a. Griekse taal en letterkunde: filosofisch proza; kernauteur Plato;
b. Latijnse taal en letterkunde: historisch proza; kernauteur Tacitus.
2. De literaire genres voor het centraal examen klassieke taal en letterkunde, alsmede voor het schriftelijk gedeelte van het staatsexamen klassieke taal en letterkunde, zijn in 1994
a. Griekse taal en letterkunde: tragedie; kernauteur Sophocles;
b. Latijnse taal en letterkunde: rhetorisch proza; kernauteur Cicero.
3. Het lectuurpensum voor onder 1 en 2 genoemde genres en de daarop afgestemde examenstof worden bekendgemaakt in de als bijlage bij deze regeling gevoegde syllabi.