BWBR0006628
Geldig vanaf 1994-05-27
Artikel VII
Wijzigingsbesluit Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984, enz.
1. Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder:
a. de betrokkenen: 1°. de ambtenaren in de zin van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 en zij, voor wie krachtens artikel 26 van dat besluit een bezoldigingsregeling is vastgesteld;
2°. de werknemers in de zin van het Arbeidsovereenkomstenbesluit, wier loon is vastgesteld met toepassing van artikel 12, eerste lid, onder b, c of d van dat besluit;
3°. de burgemeesters van één of meer gemeenten, alsmede degenen die op grond van artikel 84, derde lid, van de gemeentewet, dan wel artikel 78, eerste lid, van de Gemeentewet met de vervanging van het ambt zijn belast;
4°. de ambtenaren en werknemers wier bezoldiging is geregeld in de artikelen 48 en 120 van het Reglement Dienst Buitenlandse Zaken; alsmede, doch uitsluitend voor wat betreft de eindejaarsuitkering over het kalenderjaar 1993:
5°. de leden van gedeputeerde staten.
1°. de ambtenaren in de zin van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 en zij, voor wie krachtens artikel 26 van dat besluit een bezoldigingsregeling is vastgesteld;
2°. de werknemers in de zin van het Arbeidsovereenkomstenbesluit, wier loon is vastgesteld met toepassing van artikel 12, eerste lid, onder b, c of d van dat besluit;
3°. de burgemeesters van één of meer gemeenten, alsmede degenen die op grond van artikel 84, derde lid, van de gemeentewet, dan wel artikel 78, eerste lid, van de Gemeentewet met de vervanging van het ambt zijn belast;
4°. de ambtenaren en werknemers wier bezoldiging is geregeld in de artikelen 48 en 120 van het Reglement Dienst Buitenlandse Zaken; alsmede, doch uitsluitend voor wat betreft de eindejaarsuitkering over het kalenderjaar 1993:
5°. de leden van gedeputeerde staten.
b. de berekeningsbasis: het salaris, bedoeld in het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984, dan wel hetgeen daarmee overeenkomt in andere bezoldigingsregelingen, dat voor wat betreft de eindejaarsuitkering over het kalenderjaar 1993 over de maand november 1993 en voor wat betreft de eindejaarsuitkering over het kalenderjaar 1994 over de maand november 1994, mede met inachtneming van de bepalingen van het Algemeen Rijksambtenarenreglement ter zake van de vermindering van de bezoldiging in geval van non-activiteit, militaire dienst, buitengewoon verlof, ouderschapsverlof, ziekte of schorsing, dan wel op grond van overeenkomstige bepalingen in andere rechtspositieregelingen, wordt genoten.
2. De betrokkene, genoemd in het eerste lid, wordt voor de toepassing van dit hoofdstuk niet als betrokkene aangemerkt voor de tijd dat hij ingevolge een wettelijke verplichting als militair in werkelijke dienst is voor eerste oefening en in verband daarmee de aan zijn ambt verbonden bezoldiging geniet tot een bedrag, dat gelijk is aan het bedrag van het op hem te verhalen gedeelte van de pensioenbijdrage.
a. de betrokkenen: 1°. de ambtenaren in de zin van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 en zij, voor wie krachtens artikel 26 van dat besluit een bezoldigingsregeling is vastgesteld;
2°. de werknemers in de zin van het Arbeidsovereenkomstenbesluit, wier loon is vastgesteld met toepassing van artikel 12, eerste lid, onder b, c of d van dat besluit;
3°. de burgemeesters van één of meer gemeenten, alsmede degenen die op grond van artikel 84, derde lid, van de gemeentewet, dan wel artikel 78, eerste lid, van de Gemeentewet met de vervanging van het ambt zijn belast;
4°. de ambtenaren en werknemers wier bezoldiging is geregeld in de artikelen 48 en 120 van het Reglement Dienst Buitenlandse Zaken; alsmede, doch uitsluitend voor wat betreft de eindejaarsuitkering over het kalenderjaar 1993:
5°. de leden van gedeputeerde staten.
1°. de ambtenaren in de zin van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 en zij, voor wie krachtens artikel 26 van dat besluit een bezoldigingsregeling is vastgesteld;
2°. de werknemers in de zin van het Arbeidsovereenkomstenbesluit, wier loon is vastgesteld met toepassing van artikel 12, eerste lid, onder b, c of d van dat besluit;
3°. de burgemeesters van één of meer gemeenten, alsmede degenen die op grond van artikel 84, derde lid, van de gemeentewet, dan wel artikel 78, eerste lid, van de Gemeentewet met de vervanging van het ambt zijn belast;
4°. de ambtenaren en werknemers wier bezoldiging is geregeld in de artikelen 48 en 120 van het Reglement Dienst Buitenlandse Zaken; alsmede, doch uitsluitend voor wat betreft de eindejaarsuitkering over het kalenderjaar 1993:
5°. de leden van gedeputeerde staten.
b. de berekeningsbasis: het salaris, bedoeld in het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984, dan wel hetgeen daarmee overeenkomt in andere bezoldigingsregelingen, dat voor wat betreft de eindejaarsuitkering over het kalenderjaar 1993 over de maand november 1993 en voor wat betreft de eindejaarsuitkering over het kalenderjaar 1994 over de maand november 1994, mede met inachtneming van de bepalingen van het Algemeen Rijksambtenarenreglement ter zake van de vermindering van de bezoldiging in geval van non-activiteit, militaire dienst, buitengewoon verlof, ouderschapsverlof, ziekte of schorsing, dan wel op grond van overeenkomstige bepalingen in andere rechtspositieregelingen, wordt genoten.
2. De betrokkene, genoemd in het eerste lid, wordt voor de toepassing van dit hoofdstuk niet als betrokkene aangemerkt voor de tijd dat hij ingevolge een wettelijke verplichting als militair in werkelijke dienst is voor eerste oefening en in verband daarmee de aan zijn ambt verbonden bezoldiging geniet tot een bedrag, dat gelijk is aan het bedrag van het op hem te verhalen gedeelte van de pensioenbijdrage.