BWBR0006618
Geldig vanaf 01-05-1994
Artikel 2.02a
Scheepvaartreglement Gemeenschappelijke Maas
1. Een varend klein schip, niet bestemd of gebezigd voor het vervoer van goederen, moet aan boord hebben:
a. een of meer pagaaien of roeispanen;
b. voor iedere persoon aan boord, binnen handbereik, hetzij een reddingsgordel, een reddingskussen of een reddingsvest;
c. een touw van 30 meter;
d. een of meer meertouwen van 10 m;
e. een anker of een dreg;
f. een hoosvat of een handpomp;
g. een misthoorn of toeter;
h. een goedgekeurde poederblusser indien het een motorschip is.
2. Onverminderd het eerste lid mag een snelle motorboot slechts deelnemen aan de scheepvaart indien deze tevens voldoet aan de volgende eisen:
a. de stuurinrichting moet deugdelijk en doelmatig zijn;
b. de inrichting van de boot en van de motor moet zodanig zijn dat gevaar voor brand of ontploffing en hinder voor de omgeving door rook, damp of walm wordt voorkomen;
c. de (afgewerkte) uitlaatgassen moeten door een behoorlijk geluiddempende inrichting worden afgevoerd;
d. de boot moet zijn voorzien van een technische inrichting waardoor bij het onderbreken van de besturing de middelen tot voortbeweging onmiddellijk tot stilstand komen.
a. een of meer pagaaien of roeispanen;
b. voor iedere persoon aan boord, binnen handbereik, hetzij een reddingsgordel, een reddingskussen of een reddingsvest;
c. een touw van 30 meter;
d. een of meer meertouwen van 10 m;
e. een anker of een dreg;
f. een hoosvat of een handpomp;
g. een misthoorn of toeter;
h. een goedgekeurde poederblusser indien het een motorschip is.
2. Onverminderd het eerste lid mag een snelle motorboot slechts deelnemen aan de scheepvaart indien deze tevens voldoet aan de volgende eisen:
a. de stuurinrichting moet deugdelijk en doelmatig zijn;
b. de inrichting van de boot en van de motor moet zodanig zijn dat gevaar voor brand of ontploffing en hinder voor de omgeving door rook, damp of walm wordt voorkomen;
c. de (afgewerkte) uitlaatgassen moeten door een behoorlijk geluiddempende inrichting worden afgevoerd;
d. de boot moet zijn voorzien van een technische inrichting waardoor bij het onderbreken van de besturing de middelen tot voortbeweging onmiddellijk tot stilstand komen.
- Citeren als
- Art. 2.02a
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0006618
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl