BWBR0006573
Geldig vanaf 1994-08-01
Artikel 3
Regeling remedial teaching v.w.o.-a.v.o.-v.b.o.
1. Een aanvraag tot verstrekking van een vergoeding voor remedial teaching dient te worden ingediend bij het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen, onder overlegging van de navolgende stukken:
a. een overzicht met gegevens over de schoolloopbaan van de leerling, met vermelding van de behaalde prestaties; bij gemeenschappelijke leerjaren dient aangegeven te worden op welke onderwijssoorten de voorbereiding plaatsvindt of heeft plaatsgevonden;
b. een overzicht van de activiteiten welke door de school zijn ondernomen om de achterstand in leervorderingen van de leerling, voor wie de aanvraag wordt ingediend, op te heffen en het resultaat van deze inspanningen;
c. het onderzoeksrapport, bedoeld in artikel 2, onderdeel b, waarin onderbouwd dient te worden aangetoond dat: . 1. er discrepantie bestaat tussen het actuele en het potentiële niveau van de leerling,
. 2. er lees- dan wel spellingsproblemen zijn,
. 3. deze problemen uitsluitend veroorzaakt worden door dyslexie;
. 1. er discrepantie bestaat tussen het actuele en het potentiële niveau van de leerling,
. 2. er lees- dan wel spellingsproblemen zijn,
. 3. deze problemen uitsluitend veroorzaakt worden door dyslexie;
d. het behandelingsplan waarin het doel, de aanpak en het benodigde aantal uren van de remediale begeleiding worden weergegeven;
e. een mededeling waaruit blijkt wie de remediale begeleiding zal verzorgen; en
f. een overzicht van de kosten die met remedial teaching zijn gemoeid.
2. Indien de aanvraag voor een vergoeding betrekking heeft op een leerling die is toegelaten tot het derde leerjaar of hoger dient de aanvraag vergezeld te gaan van een motivering waaruit blijkt waarom niet eerder een vergoeding is aangevraagd dan wel is toegekend.
3. Een aanvraag dient te worden ingediend vóór 15 februari van het schooljaar waarin de begeleiding een aanvang neemt.
4. Een aanvraag wordt eerst in behandeling genomen en kan slechts tot vergoeding leiden indien voldaan is aan het gestelde in de voorgaande leden.
5. De minister beslist binnen vier maanden na de uiterste datum van indiening van een aanvraag. Indien de beschikking niet binnen vier maanden kan worden gegeven, stelt de minister de aanvrager daarvan in kennis en noemt hij daarbij de termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.
a. een overzicht met gegevens over de schoolloopbaan van de leerling, met vermelding van de behaalde prestaties; bij gemeenschappelijke leerjaren dient aangegeven te worden op welke onderwijssoorten de voorbereiding plaatsvindt of heeft plaatsgevonden;
b. een overzicht van de activiteiten welke door de school zijn ondernomen om de achterstand in leervorderingen van de leerling, voor wie de aanvraag wordt ingediend, op te heffen en het resultaat van deze inspanningen;
c. het onderzoeksrapport, bedoeld in artikel 2, onderdeel b, waarin onderbouwd dient te worden aangetoond dat: . 1. er discrepantie bestaat tussen het actuele en het potentiële niveau van de leerling,
. 2. er lees- dan wel spellingsproblemen zijn,
. 3. deze problemen uitsluitend veroorzaakt worden door dyslexie;
. 1. er discrepantie bestaat tussen het actuele en het potentiële niveau van de leerling,
. 2. er lees- dan wel spellingsproblemen zijn,
. 3. deze problemen uitsluitend veroorzaakt worden door dyslexie;
d. het behandelingsplan waarin het doel, de aanpak en het benodigde aantal uren van de remediale begeleiding worden weergegeven;
e. een mededeling waaruit blijkt wie de remediale begeleiding zal verzorgen; en
f. een overzicht van de kosten die met remedial teaching zijn gemoeid.
2. Indien de aanvraag voor een vergoeding betrekking heeft op een leerling die is toegelaten tot het derde leerjaar of hoger dient de aanvraag vergezeld te gaan van een motivering waaruit blijkt waarom niet eerder een vergoeding is aangevraagd dan wel is toegekend.
3. Een aanvraag dient te worden ingediend vóór 15 februari van het schooljaar waarin de begeleiding een aanvang neemt.
4. Een aanvraag wordt eerst in behandeling genomen en kan slechts tot vergoeding leiden indien voldaan is aan het gestelde in de voorgaande leden.
5. De minister beslist binnen vier maanden na de uiterste datum van indiening van een aanvraag. Indien de beschikking niet binnen vier maanden kan worden gegeven, stelt de minister de aanvrager daarvan in kennis en noemt hij daarbij de termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.