BWBR0006519
Geldig vanaf 1994-04-01
Artikel 10
Besluit vergoeding dienstreizen politie
1. Indien de ambtenaar aantoont dat door zeer bijzondere omstandigheden een berekende vergoeding van de per kalendermaand gemaakte dienstreizen niet toereikend is om de noodzakelijk te maken verblijfkosten te bestrijden, kan het bevoegd gezag toestaan dat de extra kosten hetzij geheel, hetzij gedeeltelijk in rekening worden gebracht en worden vergoed.
2. Indien een ambtenaar veelvuldig dienstreizen moet maken waarbij de aard van de werkzaamheden of de reisomstandigheden zodanig zijn, dat de vergoeding wegens verblijfkosten overeenkomstig de krachtens artikel 9, eerste lid, vastgestelde regels aanmerkelijk hoger zou zijn dan de in redelijkheid te maken werkelijke meerkosten, wordt hem een vergoeding verleend volgens door Onze Minister vast te stellen regels.
3. Onverminderd het tweede lid, kan Onze Minister, op voorstel van het bevoegd gezag, ten aanzien van groepen van ambtenaren een vergoedingstarief vaststellen dat overeenkomt met de in redelijkheid te maken verblijfkosten.
4. Een vergoeding ingevolge het tweede lid, geldt alleen voor zover en zolang de aard van de werkzaamheden of de reisomstandigheden geen wijziging hebben ondergaan.
2. Indien een ambtenaar veelvuldig dienstreizen moet maken waarbij de aard van de werkzaamheden of de reisomstandigheden zodanig zijn, dat de vergoeding wegens verblijfkosten overeenkomstig de krachtens artikel 9, eerste lid, vastgestelde regels aanmerkelijk hoger zou zijn dan de in redelijkheid te maken werkelijke meerkosten, wordt hem een vergoeding verleend volgens door Onze Minister vast te stellen regels.
3. Onverminderd het tweede lid, kan Onze Minister, op voorstel van het bevoegd gezag, ten aanzien van groepen van ambtenaren een vergoedingstarief vaststellen dat overeenkomt met de in redelijkheid te maken verblijfkosten.
4. Een vergoeding ingevolge het tweede lid, geldt alleen voor zover en zolang de aard van de werkzaamheden of de reisomstandigheden geen wijziging hebben ondergaan.