BWBR0006502
Geldig vanaf 1994-09-01
Artikel 10
Algemene wet gelijke behandeling
1. Indien degene die meent dat in zijn nadeel een onderscheid is of wordt gemaakt als bedoeld in deze wet, in rechte feiten aanvoert die dat onderscheid kunnen doen vermoeden, dient de wederpartij te bewijzen dat niet in strijd met deze wet is gehandeld.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op vorderingen als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0005291/artikel/305a" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 305a van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek</a>en op beroepen ingesteld in bestuursrechtelijke procedures door belanghebbenden in de zin van <a href="/wet/BWBR0005537/artikel/1:2" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 1:2, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht</a>.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op vorderingen als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0005291/artikel/305a" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 305a van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek</a>en op beroepen ingesteld in bestuursrechtelijke procedures door belanghebbenden in de zin van <a href="/wet/BWBR0005537/artikel/1:2" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 1:2, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht</a>.