BWBR0006469
Geldig vanaf 1994-03-01
Artikel 9
Regeling persoonsdossiers strafrechtspleging
1. De beheerder verstrekt op hun verzoek afschriften van de in het persoonsdossier opgenomen rapporten slechts:
a. ten behoeve van de behandeling van een gratieverzoek, aan de Minister van Justitie;
b. ten behoeve van de vervolging en berechting van strafbare feiten, de tenuitvoerlegging van straffen of maatregelen en het geven van advies over een gratieverzoek, aan: 1º. Nederlandse rechterlijke ambtenaren;
2º. rechterlijke ambtenaren van Aruba en de Nederlandse Antillen;
3º. andere dan de onder b en c genoemde rechterlijke ambtenaren, voor zover de Minister van Justitie dat voorschrijft;
1º. Nederlandse rechterlijke ambtenaren;
2º. rechterlijke ambtenaren van Aruba en de Nederlandse Antillen;
3º. andere dan de onder b en c genoemde rechterlijke ambtenaren, voor zover de Minister van Justitie dat voorschrijft;
c. ten behoeve van de selectie of bejegening, aan: 1º. de penitentiaire consulenten;
2º. de directeur van de inrichting waar de aan een persoon opgelegde straf of maatregel wordt ten uitvoer gelegd;
1º. de penitentiaire consulenten;
2º. de directeur van de inrichting waar de aan een persoon opgelegde straf of maatregel wordt ten uitvoer gelegd;
d. ten behoeve van het voorbereiden van enig rapport of het uitoefenen van enig toezicht aan: 1º. de directeuren van de stichtingen als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Reclasseringsregeling 1986;
2º. de reclasseringsmedewerkers als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Reclasseringsregeling 1986;
3º. de secretarissen van de raden voor de kinderbescherming.
1º. de directeuren van de stichtingen als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Reclasseringsregeling 1986;
2º. de reclasseringsmedewerkers als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Reclasseringsregeling 1986;
3º. de secretarissen van de raden voor de kinderbescherming.
2. De beheerder deelt aan de betrokken persoon op diens verzoek mede of afschriften van hem betreffende rapporten in het jaar voorafgaande aan het verzoek aan de in het eerste lid bedoelde personen zijn verstrekt.
a. ten behoeve van de behandeling van een gratieverzoek, aan de Minister van Justitie;
b. ten behoeve van de vervolging en berechting van strafbare feiten, de tenuitvoerlegging van straffen of maatregelen en het geven van advies over een gratieverzoek, aan: 1º. Nederlandse rechterlijke ambtenaren;
2º. rechterlijke ambtenaren van Aruba en de Nederlandse Antillen;
3º. andere dan de onder b en c genoemde rechterlijke ambtenaren, voor zover de Minister van Justitie dat voorschrijft;
1º. Nederlandse rechterlijke ambtenaren;
2º. rechterlijke ambtenaren van Aruba en de Nederlandse Antillen;
3º. andere dan de onder b en c genoemde rechterlijke ambtenaren, voor zover de Minister van Justitie dat voorschrijft;
c. ten behoeve van de selectie of bejegening, aan: 1º. de penitentiaire consulenten;
2º. de directeur van de inrichting waar de aan een persoon opgelegde straf of maatregel wordt ten uitvoer gelegd;
1º. de penitentiaire consulenten;
2º. de directeur van de inrichting waar de aan een persoon opgelegde straf of maatregel wordt ten uitvoer gelegd;
d. ten behoeve van het voorbereiden van enig rapport of het uitoefenen van enig toezicht aan: 1º. de directeuren van de stichtingen als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Reclasseringsregeling 1986;
2º. de reclasseringsmedewerkers als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Reclasseringsregeling 1986;
3º. de secretarissen van de raden voor de kinderbescherming.
1º. de directeuren van de stichtingen als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Reclasseringsregeling 1986;
2º. de reclasseringsmedewerkers als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Reclasseringsregeling 1986;
3º. de secretarissen van de raden voor de kinderbescherming.
2. De beheerder deelt aan de betrokken persoon op diens verzoek mede of afschriften van hem betreffende rapporten in het jaar voorafgaande aan het verzoek aan de in het eerste lid bedoelde personen zijn verstrekt.