BWBR0006463
Geldig vanaf 1994-05-01
Artikel 13
Organisatiewet Kadaster
1. Onze Minister kan bepalen dat het bestuur de voorafgaande instemming behoeft van de raad van toezicht voor een beslissing als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0020495/artikel/32" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 32 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen</a>of dat het bestuur, ingeval hij een beslissing als bedoeld in dat artikel aan zijn voorafgaande instemming heeft onderworpen, die beslissing pas aan hem kan voorleggen nadat de raad van toezicht heeft verklaard tegen die beslissing geen bedenkingen te hebben.
2. Het bestuur heeft in ieder geval de voorafgaande instemming nodig van de raad van toezicht met betrekking tot:
a. de reglementen, bedoeld in de artikelen 9, 16 en 17;
b. belangrijke reorganisaties.
3. Het bestuur heeft de voorafgaande instemming nodig van Onze Minister voor het verrichten van werkzaamheden als bedoeld in artikel 2, derde lid, onderdelen a en b. Het bestuur legt die beslissing voor aan Onze Minister nadat de raad van toezicht heeft verklaard tegen die beslissing geen bedenkingen te hebben.
2. Het bestuur heeft in ieder geval de voorafgaande instemming nodig van de raad van toezicht met betrekking tot:
a. de reglementen, bedoeld in de artikelen 9, 16 en 17;
b. belangrijke reorganisaties.
3. Het bestuur heeft de voorafgaande instemming nodig van Onze Minister voor het verrichten van werkzaamheden als bedoeld in artikel 2, derde lid, onderdelen a en b. Het bestuur legt die beslissing voor aan Onze Minister nadat de raad van toezicht heeft verklaard tegen die beslissing geen bedenkingen te hebben.