BWBR0006392
Geldig vanaf 1994-01-21
Artikel 2
Besluit verlening voorschotten 1994
1. Voorschotten, bedoeld in artikel 1, aanhef en onder a, kunnen worden verleend voor zover de gewoonte, de billijkheid of het belang van het Rijk dit vordert. De voorschotverlening wordt schriftelijk overeengekomen.
2. Een overeenkomst, waarin voorschotverlening wordt afgesproken, wordt, indien die voorschotverlening in een begrotingsjaar naar verwachting een door Onze Minister van Financiën vast te stellen bedrag te boven gaat, niet gesloten dan nadat Onze Minister van Financiën daarmee schriftelijk heeft ingestemd.
3. Het bepaalde in het tweede lid is niet van toepassing, in gevallen waarin de afspraak tot voorschotverlening wordt gemaakt op grond van de gewoonte.
4. Voorschotten, bedoeld in artikel 1, aanhef en onder a, worden niet verleend dan nadat voldoende zekerheid is gesteld. Vanaf een door Onze Minister van Financiën vast te stellen bedrag dient zekerheid te worden gesteld in de vorm van een garantie, afgegeven door:
a. een in Nederland of in een andere Lid-Staat van de Europese Unie toegelaten kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, van de Wet toezicht kredietwezen 1992;
b. een schadeverzekeraar, aan wie op grond van artikel 24, eerste lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 door de Pensioen- & Verzekeringskamer een vergunning is verleend voor de branche borgtocht;
c. een andere privaatrechtelijke rechtspersoon of een overheidsinstelling, indien Onze Minister van Financiën daarmee schriftelijk heeft ingestemd.
2. Een overeenkomst, waarin voorschotverlening wordt afgesproken, wordt, indien die voorschotverlening in een begrotingsjaar naar verwachting een door Onze Minister van Financiën vast te stellen bedrag te boven gaat, niet gesloten dan nadat Onze Minister van Financiën daarmee schriftelijk heeft ingestemd.
3. Het bepaalde in het tweede lid is niet van toepassing, in gevallen waarin de afspraak tot voorschotverlening wordt gemaakt op grond van de gewoonte.
4. Voorschotten, bedoeld in artikel 1, aanhef en onder a, worden niet verleend dan nadat voldoende zekerheid is gesteld. Vanaf een door Onze Minister van Financiën vast te stellen bedrag dient zekerheid te worden gesteld in de vorm van een garantie, afgegeven door:
a. een in Nederland of in een andere Lid-Staat van de Europese Unie toegelaten kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, van de Wet toezicht kredietwezen 1992;
b. een schadeverzekeraar, aan wie op grond van artikel 24, eerste lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 door de Pensioen- & Verzekeringskamer een vergunning is verleend voor de branche borgtocht;
c. een andere privaatrechtelijke rechtspersoon of een overheidsinstelling, indien Onze Minister van Financiën daarmee schriftelijk heeft ingestemd.