BWBR0006368
Geldig vanaf 2008-12-29
Artikel 43
Wet op de rechtsbijstand
1. In de gevallen waarin krachtens een wettelijk voorschrift in het <a href="/wet/BWBR0001854" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Wetboek van Strafrecht</a>of het <a href="/wet/BWBR0001903" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Wetboek van Strafvordering</a>voor een verdachte, veroordeelde of gewezen verdachte een raadsman door het bestuur wordt aangewezen of op last van de rechter door het bestuur wordt toegevoegd, is deze bijstand kosteloos, onverminderd het derde lid. De eerste volzin is niet van toepassing op de bijstand die door een aangewezen raadsman wordt verleend tijdens het in <a href="/wet/BWBR0001903/artikel/28d" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 28d van het Wetboek van Strafvordering</a>bedoelde verhoor van een verdachte van een strafbaar feit waarvoor geen voorlopige hechtenis is toegelaten.
2. Het eerste lid, eerste volzin, is van overeenkomstige toepassing op rechtsbijstand bedoeld in:
a. de artikelen 24, derde lid, en 45a, tweede en derde lid, van de Uitleveringswet;
b. artikel 100 van de Vreemdelingenwet 2000;
c. artikel 65, eerste lid, van de Penitentiaire beginselenwet;
d. artikel 70, eerste lid, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen;
e. de artikelen 52, derde lid, en 64, tweede en derde lid, van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen;
f. de artikelen 1:7, eerste en tweede lid van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg;
g. artikel 62, eerste lid, van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden;
h. artikel 5 van de Wet tijdelijk huisverbod;
i. artikel 38, derde lid, en 56d, zesde lid, van de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten;
j. de artikelen 24, derde lid, en 43a, tweede en derde lid, van de Overleveringswet;
k. de artikelen 2:19, zesde lid, 2:20, tweede lid, en 2:27, vijfde lid, van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties.
3. Indien een raadsman is aangewezen krachtens <a href="/wet/BWBR0001903/artikel/39" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 39</a>, <a href="/wet/BWBR0001903/artikel/40" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">40</a>of <a href="/wet/BWBR0001903/artikel/41" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">41 van het Wetboek van Strafvordering</a>en indien de uitspraak tegen de veroordeelde onherroepelijk is geworden, kan het bestuur het bedrag ter hoogte van de vergoeding, bedoeld in artikel 37, vorderen van de veroordeelde wiens financiële draagkracht de in artikel 34genoemde bedragen overschrijdt. Omtrent de verplichting tot betaling door de veroordeelde zijn de artikelen 25, derde tot en met vijfde lid, 34a, 34b, 34cen 34dvan overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat onder «de rechtzoekende» steeds wordt verstaan: de veroordeelde. Bij gebreke van volledige betaling kan het bestuur na een aanmaning als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0005537/artikel/4:112" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 4:112 van de Algemene wet bestuursrecht</a>het bedrag invorderen bij dwangbevel als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0005537/artikel/4:114" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 4:114 van de Algemene wet bestuursrecht</a>.
4. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld omtrent het bepaalde in het derde lid.
2. Het eerste lid, eerste volzin, is van overeenkomstige toepassing op rechtsbijstand bedoeld in:
a. de artikelen 24, derde lid, en 45a, tweede en derde lid, van de Uitleveringswet;
b. artikel 100 van de Vreemdelingenwet 2000;
c. artikel 65, eerste lid, van de Penitentiaire beginselenwet;
d. artikel 70, eerste lid, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen;
e. de artikelen 52, derde lid, en 64, tweede en derde lid, van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen;
f. de artikelen 1:7, eerste en tweede lid van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg;
g. artikel 62, eerste lid, van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden;
h. artikel 5 van de Wet tijdelijk huisverbod;
i. artikel 38, derde lid, en 56d, zesde lid, van de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten;
j. de artikelen 24, derde lid, en 43a, tweede en derde lid, van de Overleveringswet;
k. de artikelen 2:19, zesde lid, 2:20, tweede lid, en 2:27, vijfde lid, van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties.
3. Indien een raadsman is aangewezen krachtens <a href="/wet/BWBR0001903/artikel/39" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 39</a>, <a href="/wet/BWBR0001903/artikel/40" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">40</a>of <a href="/wet/BWBR0001903/artikel/41" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">41 van het Wetboek van Strafvordering</a>en indien de uitspraak tegen de veroordeelde onherroepelijk is geworden, kan het bestuur het bedrag ter hoogte van de vergoeding, bedoeld in artikel 37, vorderen van de veroordeelde wiens financiële draagkracht de in artikel 34genoemde bedragen overschrijdt. Omtrent de verplichting tot betaling door de veroordeelde zijn de artikelen 25, derde tot en met vijfde lid, 34a, 34b, 34cen 34dvan overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat onder «de rechtzoekende» steeds wordt verstaan: de veroordeelde. Bij gebreke van volledige betaling kan het bestuur na een aanmaning als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0005537/artikel/4:112" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 4:112 van de Algemene wet bestuursrecht</a>het bedrag invorderen bij dwangbevel als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0005537/artikel/4:114" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 4:114 van de Algemene wet bestuursrecht</a>.
4. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld omtrent het bepaalde in het derde lid.