BWBR0006346
Geldig vanaf 1994-01-01
Artikel 4
Regeling valschermspringen
1. Voor het incidenteel gebruik van een valschermspringgebied dat geheel of ten dele is gelegen binnen een (of meerdere) luchtverkeersleidingsgebied(en) moet toestemming zijn verkregen van de betrokken luchtverkeersleidingsdienst(en).
2. Een verzoek tot toestemming als bedoeld in het eerste lid moet tenminste vijf werkdagen tevoren de betrokken luchtverkeersleidingsdienst hebben bereikt; indien een (voorlopige) toestemming wordt verleend, verzorgt laatstgenoemde dienst en wanneer meerdere luchtverkeersleidingsdiensten betrokken zijn, de luchtverkeersleidingsdienst die luchtverkeersleiding geeft in het luchtverkeersleidingsgebied met de laagste verticale begrenzing, de bekendstelling als bedoeld in artikel 3.
3. Voor het incidenteel gebruik van een valschermspringgebied dat geheel of ten dele is gelegen binnen een afstand van 3.7 km (2 nm) van de grens van een niet gecontroleerd luchtvaartterrein moet toestemming zijn verkregen van de betrokken havenmeester.
4. Een verzoek tot toestemming als bedoeld in het derde lid moet tenminste 5 werkdagen tevoren de betrokken havenmeester hebben bereikt. Indien een (voorlopige) toestemming wordt verleend, meldt de aanvrager het voorgenomen incidentele gebruik van het valschermspringgebied zo spoedig mogelijk maar tenminste 3 dagen tevoren aan bij de Luchtvaartinlichtingendienst ten behoeve van de NOTAM zoals bedoeld in artikel 3.
5. Het voornemen tot het incidenteel gebruik van een valschermspringgebied dat gelegen is in ongecontroleerd luchtruim moet tenminste 3 werkdagen tevoren zijn aangemeld bij de Luchtvaartinlichtendienst van de LVB-organisatie.
2. Een verzoek tot toestemming als bedoeld in het eerste lid moet tenminste vijf werkdagen tevoren de betrokken luchtverkeersleidingsdienst hebben bereikt; indien een (voorlopige) toestemming wordt verleend, verzorgt laatstgenoemde dienst en wanneer meerdere luchtverkeersleidingsdiensten betrokken zijn, de luchtverkeersleidingsdienst die luchtverkeersleiding geeft in het luchtverkeersleidingsgebied met de laagste verticale begrenzing, de bekendstelling als bedoeld in artikel 3.
3. Voor het incidenteel gebruik van een valschermspringgebied dat geheel of ten dele is gelegen binnen een afstand van 3.7 km (2 nm) van de grens van een niet gecontroleerd luchtvaartterrein moet toestemming zijn verkregen van de betrokken havenmeester.
4. Een verzoek tot toestemming als bedoeld in het derde lid moet tenminste 5 werkdagen tevoren de betrokken havenmeester hebben bereikt. Indien een (voorlopige) toestemming wordt verleend, meldt de aanvrager het voorgenomen incidentele gebruik van het valschermspringgebied zo spoedig mogelijk maar tenminste 3 dagen tevoren aan bij de Luchtvaartinlichtingendienst ten behoeve van de NOTAM zoals bedoeld in artikel 3.
5. Het voornemen tot het incidenteel gebruik van een valschermspringgebied dat gelegen is in ongecontroleerd luchtruim moet tenminste 3 werkdagen tevoren zijn aangemeld bij de Luchtvaartinlichtendienst van de LVB-organisatie.