BWBR0006345
Geldig vanaf 1994-01-01
Artikel 3
Regeling vaststelling omvang verplaatsbare mestproductie
1. Vanaf het moment van inwerkingtreding van de wet wordt binnen het overeenkomstig artikel 2 bepaalde niet-gebonden mestproductierecht voor rundvee en kalkoenen en dat voor varkens en kippen overeenkomstig artikel 5, tweede lid, van de wet, de navolgende leden en de artikelen 7 en 8 onderscheiden tussen een verplaatsbaar deel en een niet-verplaatsbaar deel.
2. Van de in artikel 5, tweede lid, van de wet genoemde jaren wordt het jaar in aanmerking genomen waarin de gerealiseerde mestproductie van de varkens, kippen, rundvee en kalkoenen gezamenlijk het hoogst was.
3. In afwijking van het tweede lid wordt van de aldaar bedoelde jaren een ander jaar in aanmerking genomen, indien de belanghebbende binnen dertig dagen na inwerkingtreding van de onderhavige regeling bij de Dienst Regelingen een schriftelijk verzoek daartoe indient.
4. Het overeenkomstig het tweede of het derde lid in aanmerking te nemen jaar geldt voor de bepaling van de desbetreffende gerealiseerde mestproductie, bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de wet, van zowel varkens en kippen als rundvee en kalkoenen.
5. De vaststelling van de desbetreffende gerealiseerde mestproductie geschiedt onder toepassing van artikel 2 van de Regeling aanwijzing diersoorten en hun mestproduktie, zoals dat luidde tot 1 januari 1998.
6. Voor de vaststelling van de desbetreffende gerealiseerde mestproductie wordt de mestproductie van rundvee en kalkoenen in aanmerking genomen als mestproductie van varkens en kippen, voor zover het mestproductierecht voor varkens en kippen niet is benut voor de productie van varkens- en kippenmest en voor zover de mestproductie van rundvee- en kalkoenen niet kan hebben plaatsgevonden op grond van het mestproductierecht voor rundvee en kalkoenen.
7. Voor de vaststelling van de desbetreffende gerealiseerde mestproductie wordt de mestproductie van varkens en kippen in aanmerking genomen als mestproductie van rundvee en kalkoenen, voor zover deze de hoeveelheid van 125 kg fosfaat per jaar per hectare tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond niet overschrijdt en voor zover de mestproductie van varkens en kippen niet kan hebben plaatsgevonden op grond van het mestproductierecht voor varkens en kippen.
2. Van de in artikel 5, tweede lid, van de wet genoemde jaren wordt het jaar in aanmerking genomen waarin de gerealiseerde mestproductie van de varkens, kippen, rundvee en kalkoenen gezamenlijk het hoogst was.
3. In afwijking van het tweede lid wordt van de aldaar bedoelde jaren een ander jaar in aanmerking genomen, indien de belanghebbende binnen dertig dagen na inwerkingtreding van de onderhavige regeling bij de Dienst Regelingen een schriftelijk verzoek daartoe indient.
4. Het overeenkomstig het tweede of het derde lid in aanmerking te nemen jaar geldt voor de bepaling van de desbetreffende gerealiseerde mestproductie, bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de wet, van zowel varkens en kippen als rundvee en kalkoenen.
5. De vaststelling van de desbetreffende gerealiseerde mestproductie geschiedt onder toepassing van artikel 2 van de Regeling aanwijzing diersoorten en hun mestproduktie, zoals dat luidde tot 1 januari 1998.
6. Voor de vaststelling van de desbetreffende gerealiseerde mestproductie wordt de mestproductie van rundvee en kalkoenen in aanmerking genomen als mestproductie van varkens en kippen, voor zover het mestproductierecht voor varkens en kippen niet is benut voor de productie van varkens- en kippenmest en voor zover de mestproductie van rundvee- en kalkoenen niet kan hebben plaatsgevonden op grond van het mestproductierecht voor rundvee en kalkoenen.
7. Voor de vaststelling van de desbetreffende gerealiseerde mestproductie wordt de mestproductie van varkens en kippen in aanmerking genomen als mestproductie van rundvee en kalkoenen, voor zover deze de hoeveelheid van 125 kg fosfaat per jaar per hectare tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond niet overschrijdt en voor zover de mestproductie van varkens en kippen niet kan hebben plaatsgevonden op grond van het mestproductierecht voor varkens en kippen.