BWBR0006236
Geldig vanaf 1993-11-26
Artikel 13
Bijdragebesluit kosten ruiming explosieven Tweede Wereldoorlog 1994
1. Om in aanmerking te kunnen komen voor een bijdrage moet het bestuursorgaan een opsporing of ruiming vóór het aanvangstijdstip van de werkzaamheden schriftelijk melden bij Onze Minister alsmede een werkplan indienen.
2. In de aanmelding van een opsporing dient ten minste te worden opgenomen:
a. de reden van de opsporing;
b. de uitkomsten van het vooronderzoek;
c. de vermoede aard van het explosief;
d. de straal van de schervengevarenzone;
e. het gebied waarbinnen bepaalde (grond) werkzaamheden tot detonatie zouden kunnen leiden;
f. de ligging van het vermoede explosief ten opzichte van de bebouwde kom en ten opzichte van de bebouwing of een kwetsbare infrastructuur in die bebouwde kom, uitgaande van de situatie op 1 januari 1994;
g. de voorziene risico's voor de bevolking waaronder eventuele milieu-aspecten;
h. de mogelijkheden om al dan niet beschermende maatregelen te treffen;
i. een positief advies van het Explosieven Opruimings Commando van het Ministerie van Defensie;
j. een situatietekening en een plattegrond van de gemeente.
3. In de aanmelding van een ruiming dient ten minste te worden opgenomen:
a. de aard van het explosief;
b. de straal van de schervengevarenzone;
c. de ligging van het explosief;
d. de voorziene risico's voor de bevolking;
e. de mogelijkheden om al dan niet beschermende maatregelen te treffen;
f. een situatietekening en een plattegrond van de gemeente.
4. In het werkplan dient ten minste te worden opgenomen:
a. de werkzaamheden die verricht moeten worden als gevolg van de opsporing of ruiming van explosieven;
b. bij een opsporing: de voorgestelde opsporingsmethode in relatie tot het (toekomstig) gebruik van de grond;
c. de te treffen preventieve maatregelen ter voorkoming van schade;
d. een gespecificeerde kostenraming;
e. het tijdstip waarop met de werkzaamheden wordt begonnen.
2. In de aanmelding van een opsporing dient ten minste te worden opgenomen:
a. de reden van de opsporing;
b. de uitkomsten van het vooronderzoek;
c. de vermoede aard van het explosief;
d. de straal van de schervengevarenzone;
e. het gebied waarbinnen bepaalde (grond) werkzaamheden tot detonatie zouden kunnen leiden;
f. de ligging van het vermoede explosief ten opzichte van de bebouwde kom en ten opzichte van de bebouwing of een kwetsbare infrastructuur in die bebouwde kom, uitgaande van de situatie op 1 januari 1994;
g. de voorziene risico's voor de bevolking waaronder eventuele milieu-aspecten;
h. de mogelijkheden om al dan niet beschermende maatregelen te treffen;
i. een positief advies van het Explosieven Opruimings Commando van het Ministerie van Defensie;
j. een situatietekening en een plattegrond van de gemeente.
3. In de aanmelding van een ruiming dient ten minste te worden opgenomen:
a. de aard van het explosief;
b. de straal van de schervengevarenzone;
c. de ligging van het explosief;
d. de voorziene risico's voor de bevolking;
e. de mogelijkheden om al dan niet beschermende maatregelen te treffen;
f. een situatietekening en een plattegrond van de gemeente.
4. In het werkplan dient ten minste te worden opgenomen:
a. de werkzaamheden die verricht moeten worden als gevolg van de opsporing of ruiming van explosieven;
b. bij een opsporing: de voorgestelde opsporingsmethode in relatie tot het (toekomstig) gebruik van de grond;
c. de te treffen preventieve maatregelen ter voorkoming van schade;
d. een gespecificeerde kostenraming;
e. het tijdstip waarop met de werkzaamheden wordt begonnen.