BWBR0006157
Geldig vanaf 1993-11-04
Artikel II
Overgangsregeling geldelijke steun huisvesting gehandicapten
1. De in artikel I, aanhef, bedoelde regeling blijft van toepassing op aanvragen om te worden aangemerkt als A.D.L.-kandidaat als bedoeld in artikel 48, eerste lid, van die regeling, voor zover die aanvragen bij de minister zijn ingediend vóór 1 januari 1994.
2. De in artikel I, aanhef, bedoelde regeling blijft van toepassing op aanvragen om een bijdrage ineens voor het stichten van een A.D.L.-cluster als bedoeld in artikel 52, eerste lid, van die regeling, voor zover die aanvragen overeenkomstig artikel 53 van die regeling aan de minister zijn toegezonden vóór het tijdstip, bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat de op die aanvragen betrekking hebbende aanvragen om geldelijke steun als bedoeld in de artikelen 55 en 56 van die regeling, onverminderd de in of op voet van die regeling gestelde termijnen, vóór 1 oktober 1996 bij de minister worden ingediend.
3. De in artikel I, aanhef, bedoelde regeling blijft van toepassing ten aanzien van aanvragen om bijdragen ineens als bedoeld in artikel 21 van die regeling die de in artikel 18 van die regeling genoemde bedragen te boven gaan, die vóór 1 januari 1994 bij de gemeenten zijn ingediend, met dien verstande dat de op die aanvragen betrekking hebbende aanvragen om geldelijke steun als bedoeld in artikel 25 van die regeling, onverminderd de in of op voet van die regeling gestelde termijnen, vóór 1 oktober 1996 bij de minister worden ingediend.
2. De in artikel I, aanhef, bedoelde regeling blijft van toepassing op aanvragen om een bijdrage ineens voor het stichten van een A.D.L.-cluster als bedoeld in artikel 52, eerste lid, van die regeling, voor zover die aanvragen overeenkomstig artikel 53 van die regeling aan de minister zijn toegezonden vóór het tijdstip, bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat de op die aanvragen betrekking hebbende aanvragen om geldelijke steun als bedoeld in de artikelen 55 en 56 van die regeling, onverminderd de in of op voet van die regeling gestelde termijnen, vóór 1 oktober 1996 bij de minister worden ingediend.
3. De in artikel I, aanhef, bedoelde regeling blijft van toepassing ten aanzien van aanvragen om bijdragen ineens als bedoeld in artikel 21 van die regeling die de in artikel 18 van die regeling genoemde bedragen te boven gaan, die vóór 1 januari 1994 bij de gemeenten zijn ingediend, met dien verstande dat de op die aanvragen betrekking hebbende aanvragen om geldelijke steun als bedoeld in artikel 25 van die regeling, onverminderd de in of op voet van die regeling gestelde termijnen, vóór 1 oktober 1996 bij de minister worden ingediend.