1. Van
artikel 52, eerste lid, van de Binnenschepenwet, wordt vrijstelling verleend met betrekking tot de volgende schepen:
a. bokken;
b. kranen;
c. baggermolens;
d. hopperzuigers;
e. elevatoren;
f. schepen zonder verblijven, zoals duwbakken, dekschuiten, pontons;
g. open rondvaartboten, behalve ten aanzien van de verplichting met betrekking tot het vaarbewijs;
h. binnenschepen, waarvoor ingevolge artikel 785, tweede lid, van boek 8 van het Burgerlijk Wetboek geen verplichting tot teboekstelling bestaat, behalve motorboten als bedoeld in artikel 16, tweede lid, onderdeel d, van de Binnenschepenwet ten aanzien van de verplichting met betrekking tot het vaarbewijs.
2. De vrijstelling voor de in het eerste lid, onderdeel f, genoemde schepen geldt alleen, indien:
a. op het schip een metalen plaat is aangebracht waarop staan vermeld het certificaatnummer, de zone, onderscheidenlijk zones waarvoor het certificaat geldig is en de datum tot welke het certificaat geldig is;
b. de vermeldingen, bedoeld in onderdeel a, in goed leesbare letters en cijfers met een hoogte van ten minste 6 mm zijn ingehakt en de metalen plaat, bedoeld in onderdeel a, een hoogte van ten minste 60 mm en een lengte van ten minste 120 mm heeft en op het achterschip aan stuurboordzijde op een goed zichtbare plaats is bevestigd;
c. de overeenstemming tussen de vermeldingen op de plaat en de aantekeningen in het certificaat is bevestigd door een ambtenaar van de divisie Scheepvaart door middel van het aanbrengen van een stempel op de plaat;
d. bij gebruik van het schip op de in Nederland gelegen binnenwateren het certificaat bij de eigenaar van het schip in bewaring is; en
e. bij grensoverschrijding het certificaat aan boord is van het schip dat het duwstel, gekoppeld samenstel of de sleep voortbeweegt.
3. De vrijstelling voor de in het eerste lid, onderdeel g, genoemde schepen geldt alleen indien het certificaat van onderzoek ter plaatse waar de rondvaarten beginnen, aanwezig is.