BWBR0006075
Geldig vanaf 1993-08-01
Artikel 6
Regeling modelvliegtuigen
1. Een radiografisch bestuurd modelvliegtuig mag niet hoger vliegen dan 300 meter boven de grond of het water.
2. Een groot radiografisch bestuurd modelvliegtuig dat is voorzien van een verbrandingsmotor of een elektromotor mag niet hoger vliegen dan 100 meter boven de grond of het water.
3. Een radiografisch bestuurd modelvliegtuig mag slechts gebruikt worden indien:
a. rekening houdend met de windrichting een vliegsector is gekozen, waarbinnen vluchten veilig kunnen worden uitgevoerd;
b. het modelvliegtuig op een afstand van minimaal 50 meter van het publiek blijft.
4. Een radiografisch bestuurd modelvliegtuig moet tijdens de vlucht steeds binnen de gezichtskring van de bestuurder blijven en mag zich tijdens de vlucht niet verder van de bestuurder verwijderen dan de maximale afstand waarop hij nog het effectief kan besturen, doch in ieder geval niet verder dan 500 meter.
5. De bestuurder moet ervoor zorgen dat tijdens de vlucht het radiografisch bestuurde modelvliegtuig:
a. enig luchtvaartuig dan wel enig ander zich in het luchtruim bevindend toestel niet zo dicht nadert dat gevaar voor botsing kan ontstaan;
b. op een afstand van meer dan 50 meter blijft van gebieden met aaneengesloten bebouwing;
c. niet boven mensenverzamelingen komt.
2. Een groot radiografisch bestuurd modelvliegtuig dat is voorzien van een verbrandingsmotor of een elektromotor mag niet hoger vliegen dan 100 meter boven de grond of het water.
3. Een radiografisch bestuurd modelvliegtuig mag slechts gebruikt worden indien:
a. rekening houdend met de windrichting een vliegsector is gekozen, waarbinnen vluchten veilig kunnen worden uitgevoerd;
b. het modelvliegtuig op een afstand van minimaal 50 meter van het publiek blijft.
4. Een radiografisch bestuurd modelvliegtuig moet tijdens de vlucht steeds binnen de gezichtskring van de bestuurder blijven en mag zich tijdens de vlucht niet verder van de bestuurder verwijderen dan de maximale afstand waarop hij nog het effectief kan besturen, doch in ieder geval niet verder dan 500 meter.
5. De bestuurder moet ervoor zorgen dat tijdens de vlucht het radiografisch bestuurde modelvliegtuig:
a. enig luchtvaartuig dan wel enig ander zich in het luchtruim bevindend toestel niet zo dicht nadert dat gevaar voor botsing kan ontstaan;
b. op een afstand van meer dan 50 meter blijft van gebieden met aaneengesloten bebouwing;
c. niet boven mensenverzamelingen komt.