1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
a. de belanghebbenden: 1°. de ambtenaren in de zin van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 en zij, voor wie krachtens artikel 26 van dat besluit een bezoldigingsregeling is vastgesteld;
2°. de werknemers in de zin van het Arbeidsovereenkomstenbesluit, wier loon is vastgesteld met toepassing van het bepaalde in artikel 12, eerste lid, onder b, c of d van dat besluit;
3°. de burgemeesters van één of meer gemeenten, alsmede degenen die op grond van artikel 84, derde lid, van de gemeentewet met de vervanging van het ambt zijn belast;
4°. de functionarissen voor wie de bezoldiging is geregeld in de Wet van 11 september 1964, houdende vaststelling van een nieuwe regeling van de bezoldiging van de vice-president van de Raad van State en de staatsraden, alsmede van de president en de overige leden van de Algemene Rekenkamer (Stb. 1993, 218);
5°. de rechterlijke ambtenaren wier bezoldiging is geregeld in de Wet op de bezoldiging van de rechterlijke ambtenaren en de kandidaat-verkeersschouten wier bezoldiging is geregeld in het Besluit opleiding verkeersschouten;
6°. de functionarissen voor wie de bezoldiging is geregeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet bezoldiging Nationale ombudsman;
7°. de ambtenaren en werknemers wier bezoldiging is geregeld in de artikelen 48 en 120 van het Reglement Dienst Buitenlandse Zaken;
8°. de belanghebbenden in de zin van het Rijkswachtgeldbesluit 1959, de Regeling uitkering wegens functioneel leeftijdsontslag, de Uitkeringsregeling 1966 en de Wet uitkering wegens vrijwillig vervroegd uittreden;
9°. de gewezen noodwachters die op grond van het bepaalde in de artikelen 16 en 17 van de Intrekkingswet BB een wachtgeld of een uitkering genieten.
1°. de ambtenaren in de zin van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 en zij, voor wie krachtens artikel 26 van dat besluit een bezoldigingsregeling is vastgesteld;
2°. de werknemers in de zin van het Arbeidsovereenkomstenbesluit, wier loon is vastgesteld met toepassing van het bepaalde in artikel 12, eerste lid, onder b, c of d van dat besluit;
3°. de burgemeesters van één of meer gemeenten, alsmede degenen die op grond van artikel 84, derde lid, van de gemeentewet met de vervanging van het ambt zijn belast;
4°. de functionarissen voor wie de bezoldiging is geregeld in de Wet van 11 september 1964, houdende vaststelling van een nieuwe regeling van de bezoldiging van de vice-president van de Raad van State en de staatsraden, alsmede van de president en de overige leden van de Algemene Rekenkamer (Stb. 1993, 218);
5°. de rechterlijke ambtenaren wier bezoldiging is geregeld in de Wet op de bezoldiging van de rechterlijke ambtenaren en de kandidaat-verkeersschouten wier bezoldiging is geregeld in het Besluit opleiding verkeersschouten;
6°. de functionarissen voor wie de bezoldiging is geregeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet bezoldiging Nationale ombudsman;
7°. de ambtenaren en werknemers wier bezoldiging is geregeld in de artikelen 48 en 120 van het Reglement Dienst Buitenlandse Zaken;
8°. de belanghebbenden in de zin van het Rijkswachtgeldbesluit 1959, de Regeling uitkering wegens functioneel leeftijdsontslag, de Uitkeringsregeling 1966 en de Wet uitkering wegens vrijwillig vervroegd uittreden;
9°. de gewezen noodwachters die op grond van het bepaalde in de artikelen 16 en 17 van de Intrekkingswet BB een wachtgeld of een uitkering genieten.
b. de berekeningsbasis: 1°. voor de belanghebbende, genoemd onder a.1° tot en met a.7°: het salaris, bedoeld in het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984, dan wel hetgeen daarmee overeenkomt in andere bezoldigingsregelingen, dat over de maand september 1992 mede met inachtneming van de bepalingen van het Algemeen Rijksambtenarenreglement ter zake van vermindering van de bezoldiging in geval van non-activiteit, militaire dienst, buitengewoon verlof, ouderschapsverlof, ziekte of schorsing, dan wel op grond van overeenkomstige bepalingen in andere rechtspositieregelingen, wordt genoten, met dien verstande dat hierbij onder salaris tevens wordt verstaan het zakgeld c.q. de vergoeding bij opleidingen, als bedoeld in de Bezoldigingsregeling leerling-verpleegkundigen en leerling-ziekenverzorgenden 1978 c.q. de Rechtspositieregeling voor deelnemers aan opleidingen in het kader van het leerlingwezen, dan wel hetgeen daarmee overeenkomt in andere rechtspositieregelingen;
2°. voor de belanghebbende, genoemd onder a.8° en a.9°: het bedrag van het wachtgeld of de uitkering dat met inachtneming van de bepalingen van de van toepassing zijnde ontslaguitkeringsregeling over de maand september 1992 wordt uitgekeerd.
1°. voor de belanghebbende, genoemd onder a.1° tot en met a.7°: het salaris, bedoeld in het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984, dan wel hetgeen daarmee overeenkomt in andere bezoldigingsregelingen, dat over de maand september 1992 mede met inachtneming van de bepalingen van het Algemeen Rijksambtenarenreglement ter zake van vermindering van de bezoldiging in geval van non-activiteit, militaire dienst, buitengewoon verlof, ouderschapsverlof, ziekte of schorsing, dan wel op grond van overeenkomstige bepalingen in andere rechtspositieregelingen, wordt genoten, met dien verstande dat hierbij onder salaris tevens wordt verstaan het zakgeld c.q. de vergoeding bij opleidingen, als bedoeld in de Bezoldigingsregeling leerling-verpleegkundigen en leerling-ziekenverzorgenden 1978 c.q. de Rechtspositieregeling voor deelnemers aan opleidingen in het kader van het leerlingwezen, dan wel hetgeen daarmee overeenkomt in andere rechtspositieregelingen;
2°. voor de belanghebbende, genoemd onder a.8° en a.9°: het bedrag van het wachtgeld of de uitkering dat met inachtneming van de bepalingen van de van toepassing zijnde ontslaguitkeringsregeling over de maand september 1992 wordt uitgekeerd.
2. De belanghebbende, genoemd in het eerste lid, onder a.1° tot en met a.7° wordt voor de toepassing van dit hoofdstuk niet als belanghebbende aangemerkt voor de tijd dat hij ingevolge een wettelijke verplichting als militair in werkelijke dienst is voor eerste oefening en in verband daarmee de aan zijn ambt verbonden bezoldiging geniet tot een bedrag, dat gelijk is aan het bedrag van het op hem te verhalen gedeelte van de pensioenbijdrage.