BWBR0005879
Geldig vanaf 1993-03-11
Artikel 3
Rijksbijdrageregeling publiekrechtelijke ziektekostenvoorzieningen 1992 en 1993
1. Aan elk der instellingen wordt van het in artikel 2genoemde bedrag een bijdrage toegekend, welke in dezelfde verhouding tot dat bedrag staat als de heffingsgrondslagen van het tweede jaar, voorafgaande aan het jaar waarop de bijdrage betrekking heeft, bij elk van die instellingen, tot het totaal der heffingsgrondslagen van dat jaar bij de instellingen gezamenlijk.
2. De hoogte van de in het eerste lid bedoelde heffingsgrondslagen per instelling wordt door de Minister van Binnenlandse Zaken, gehoord de Kontaktcommissie Publiekrechtelijke Ziektekostenregelingen voor ambtenaren te Nieuwegein, vastgesteld.
3. De toekenning van de in het eerste lid bedoelde bijdrage geschiedt onder de voorwaarde dat het bestuur van elk der instellingen na een daartoe gedaan verzoek schriftelijk verklaart dat de rijksbijdrage geheel is aangewend ter verlaging van de procentuele premie die aan de deelnemers in rekening wordt gebracht en dat aan de deelnemers voor henzelf en voor hun gezinsleden gedurende de jaren 1992 en 1993 een nominale premie van tenminste f 140 respectievelijk f 141 op jaarbasis per volwassene en van tenminste f 70 respectievelijk f 70,50 op jaarbasis per kind in rekening is gebracht, dat dien verstande dat deze premie voor ten hoogste twee kinderen per gezin is verschuldigd.
2. De hoogte van de in het eerste lid bedoelde heffingsgrondslagen per instelling wordt door de Minister van Binnenlandse Zaken, gehoord de Kontaktcommissie Publiekrechtelijke Ziektekostenregelingen voor ambtenaren te Nieuwegein, vastgesteld.
3. De toekenning van de in het eerste lid bedoelde bijdrage geschiedt onder de voorwaarde dat het bestuur van elk der instellingen na een daartoe gedaan verzoek schriftelijk verklaart dat de rijksbijdrage geheel is aangewend ter verlaging van de procentuele premie die aan de deelnemers in rekening wordt gebracht en dat aan de deelnemers voor henzelf en voor hun gezinsleden gedurende de jaren 1992 en 1993 een nominale premie van tenminste f 140 respectievelijk f 141 op jaarbasis per volwassene en van tenminste f 70 respectievelijk f 70,50 op jaarbasis per kind in rekening is gebracht, dat dien verstande dat deze premie voor ten hoogste twee kinderen per gezin is verschuldigd.