BWBR0005746
Geldig vanaf 1992-12-23
Artikel 15
Wet medezeggenschap onderwijs 1992
1. In het reglement wordt in ieder geval geregeld:
a. het aantal leden van de medezeggenschapsraad;
b. aan de desbetreffende scholen, de wijze waarop toepassing wordt gegeven aan artikel 3, vijfde lid onderdeel b onderscheidenlijk d;
c. de wijze en organisatie van de verkiezingen van de leden van de raad;
d. de zittingsduur van de leden van de raad;
e. de wijze waarop wordt gewaarborgd dat de leden van de raad hun uit het lidmaatschap van de raad voortvloeiende verplichtingen nakomen;
f. indien een lid van de schoolleiding is opgedragen om namens het bevoegd gezag op te treden in besprekingen met de raad, in welke gevallen op verzoek van de raad het bevoegd gezag zelf deze besprekingen met de raad voert;
g. de wijze waarop het bevoegd gezag informatie verschaft aan de raad;
h. de termijnen binnen welke tot instemming of onthouding van instemming dient te worden besloten, en de termijnen binnen welke advies dient te worden uitgebracht;
i. indien een of meer deelraden zijn ingesteld, de bevoegdheden van de medezeggenschapsraad die aan de deelraden worden overgedragen;
j. de mogelijkheid om de keuze te wijzigen voor het in de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad vertegenwoordigen van afzonderlijke medezeggenschapsraden door middel van gemeenschappelijke vertegenwoordigers; en
k. de procedure voor de beslechting van die geschillen tussen het bevoegd gezag en de raad, waarvoor deze wet niet in een geschillenregeling voorziet.
2. In het reglement kan worden geregeld dat:
a. de instemmingsbevoegdheid ten aanzien van een of meer van de aangelegenheden, bedoeld in artikel 6, wordt omgezet in instemmingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 8 of 9, dan wel in adviesbevoegdheid als bedoeld in artikel 7;
b. de instemmingsbevoegdheid ten aanzien van een of meer van de aangelegenheden, bedoeld in artikel 8, wordt omgezet in instemmingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 6 of 9, dan wel in adviesbevoegdheid als bedoeld in artikel 7;
c. de instemmingsbevoegdheid ten aanzien van een of meer van de aangelegenheden, bedoeld in artikel 9, wordt omgezet in instemmingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 6 of 8, dan wel in adviesbevoegdheid als bedoeld in artikel 7;
d. de adviesbevoegdheid ten aanzien van een of meer van de aangelegenheden, bedoeld in artikel 7, wordt omgezet in instemmingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 6, 8 of 9; en
e. door het bevoegd gezag te nemen besluiten met betrekking tot nader in het reglement te omschrijven aangelegenheden die niet reeds in de wet worden genoemd, instemming dan wel advies behoeven zoals bedoeld in de artikelen 6 , 7, 8 of 9.
3. In het reglement kan voorts worden geregeld:
a. de voorwaarde dat leerlingen, die tot de school zijn toegelaten met toepassing van artikel 58, eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 60, eerste lid, van de Wet op de expertisecentra, artikel 8.1.2, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs of artikel 48, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, alsmede hun ouders, slechts kandidaat kunnen worden gesteld voor verkiezing tot lid van de raad, indien zij hebben verklaard de grondslag en de doelstellingen van de school te respecteren;
b. de toekenning aan de raad van een overeenkomstige bevoegdheid als bedoeld in artikel 12, tweede lid, aanhef en onderdeel d, van de Algemene wet gelijke behandeling, in welk geval artikel 21, tweede lid, van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen van overeenkomstige toepassing is voor wat betreft het onderscheid, bedoeld in die wet of in artikel 646 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.
c. de toekenning aan de raad of aan het deel dat uit en door het personeel wordt gekozen, van de bevoegdheden inzake de arbeidsomstandigheden in de school, bedoeld in het zesde lid, voor zover deze niet betreffen te nemen besluiten van het bevoegd gezag als bedoeld in de artikelen 6, 7, 8 en 9 en als bedoeld in het tweede lid, onderdeel e; en
d. welke van de geschillen tussen het bevoegd gezag en de raad, waarvoor deze wet niet in een geschillenregeling voorziet, worden voorgelegd aan de commissie voor geschillen waarbij de school is aangesloten en wie het geschil aanhangig kan maken.
4. De voorwaarde, bedoeld in het derde lid onderdeel a, kan slechts worden toegepast, indien zij door of namens het bevoegd gezag voorafgaand aan de toelating aan de betrokkenen bekend is gemaakt.
5. Vervallen.
6. De bevoegdheden, bedoeld in het derde lid, onderdeel c, zijn de bevoegdheden die krachtens de Arbeidsomstandighedenweten de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 16 van die wetaan de medezeggenschapsraad zijn toegekend.
7. De regeling, bedoeld in het derde lid, onderdeel d, kan slechts worden toegepast, voor zover de commissie voor geschillen waarbij de school is aangesloten, in haar reglement daarvoor de mogelijkheid biedt.
a. het aantal leden van de medezeggenschapsraad;
b. aan de desbetreffende scholen, de wijze waarop toepassing wordt gegeven aan artikel 3, vijfde lid onderdeel b onderscheidenlijk d;
c. de wijze en organisatie van de verkiezingen van de leden van de raad;
d. de zittingsduur van de leden van de raad;
e. de wijze waarop wordt gewaarborgd dat de leden van de raad hun uit het lidmaatschap van de raad voortvloeiende verplichtingen nakomen;
f. indien een lid van de schoolleiding is opgedragen om namens het bevoegd gezag op te treden in besprekingen met de raad, in welke gevallen op verzoek van de raad het bevoegd gezag zelf deze besprekingen met de raad voert;
g. de wijze waarop het bevoegd gezag informatie verschaft aan de raad;
h. de termijnen binnen welke tot instemming of onthouding van instemming dient te worden besloten, en de termijnen binnen welke advies dient te worden uitgebracht;
i. indien een of meer deelraden zijn ingesteld, de bevoegdheden van de medezeggenschapsraad die aan de deelraden worden overgedragen;
j. de mogelijkheid om de keuze te wijzigen voor het in de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad vertegenwoordigen van afzonderlijke medezeggenschapsraden door middel van gemeenschappelijke vertegenwoordigers; en
k. de procedure voor de beslechting van die geschillen tussen het bevoegd gezag en de raad, waarvoor deze wet niet in een geschillenregeling voorziet.
2. In het reglement kan worden geregeld dat:
a. de instemmingsbevoegdheid ten aanzien van een of meer van de aangelegenheden, bedoeld in artikel 6, wordt omgezet in instemmingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 8 of 9, dan wel in adviesbevoegdheid als bedoeld in artikel 7;
b. de instemmingsbevoegdheid ten aanzien van een of meer van de aangelegenheden, bedoeld in artikel 8, wordt omgezet in instemmingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 6 of 9, dan wel in adviesbevoegdheid als bedoeld in artikel 7;
c. de instemmingsbevoegdheid ten aanzien van een of meer van de aangelegenheden, bedoeld in artikel 9, wordt omgezet in instemmingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 6 of 8, dan wel in adviesbevoegdheid als bedoeld in artikel 7;
d. de adviesbevoegdheid ten aanzien van een of meer van de aangelegenheden, bedoeld in artikel 7, wordt omgezet in instemmingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 6, 8 of 9; en
e. door het bevoegd gezag te nemen besluiten met betrekking tot nader in het reglement te omschrijven aangelegenheden die niet reeds in de wet worden genoemd, instemming dan wel advies behoeven zoals bedoeld in de artikelen 6 , 7, 8 of 9.
3. In het reglement kan voorts worden geregeld:
a. de voorwaarde dat leerlingen, die tot de school zijn toegelaten met toepassing van artikel 58, eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 60, eerste lid, van de Wet op de expertisecentra, artikel 8.1.2, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs of artikel 48, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, alsmede hun ouders, slechts kandidaat kunnen worden gesteld voor verkiezing tot lid van de raad, indien zij hebben verklaard de grondslag en de doelstellingen van de school te respecteren;
b. de toekenning aan de raad van een overeenkomstige bevoegdheid als bedoeld in artikel 12, tweede lid, aanhef en onderdeel d, van de Algemene wet gelijke behandeling, in welk geval artikel 21, tweede lid, van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen van overeenkomstige toepassing is voor wat betreft het onderscheid, bedoeld in die wet of in artikel 646 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.
c. de toekenning aan de raad of aan het deel dat uit en door het personeel wordt gekozen, van de bevoegdheden inzake de arbeidsomstandigheden in de school, bedoeld in het zesde lid, voor zover deze niet betreffen te nemen besluiten van het bevoegd gezag als bedoeld in de artikelen 6, 7, 8 en 9 en als bedoeld in het tweede lid, onderdeel e; en
d. welke van de geschillen tussen het bevoegd gezag en de raad, waarvoor deze wet niet in een geschillenregeling voorziet, worden voorgelegd aan de commissie voor geschillen waarbij de school is aangesloten en wie het geschil aanhangig kan maken.
4. De voorwaarde, bedoeld in het derde lid onderdeel a, kan slechts worden toegepast, indien zij door of namens het bevoegd gezag voorafgaand aan de toelating aan de betrokkenen bekend is gemaakt.
5. Vervallen.
6. De bevoegdheden, bedoeld in het derde lid, onderdeel c, zijn de bevoegdheden die krachtens de Arbeidsomstandighedenweten de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 16 van die wetaan de medezeggenschapsraad zijn toegekend.
7. De regeling, bedoeld in het derde lid, onderdeel d, kan slechts worden toegepast, voor zover de commissie voor geschillen waarbij de school is aangesloten, in haar reglement daarvoor de mogelijkheid biedt.