BWBR0005586
Geldig vanaf 1992-08-01
Artikel II
Wijzigingsbesluit Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel (formatiebudget)
1. In dit artikel wordt verstaan onder:
a. Rechtspositiebesluit: het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel (Stb. 1985, 110);
b. instelling: een instelling, bedoeld in artikel 1-A1, onder d1 tot en met d5, d9, d10 en d12, van het Rechtspositiebesluit;
c. belanghebbende: de belanghebbende, bedoeld in artikel I-A1, onder e1 tot en met e5, e9, e10 en e12, die op 31 juli 1992 aan een instelling is verbonden.
2. De op 31 juli 1992 in vaste dienst benoemde belanghebbende blijft op 1 augustus 1992 benoemd aan dezelfde instelling in een functie met dezelfde maximumschaal, hetzelfde carrièrepatroon en dezelfde betrekkingsomvang als die behorende bij de functie waarin hij op 31 juli 1992 was benoemd. Het bepaalde in de eerste volzin geldt niet indien dit in het licht van een goede en doelmatige uitvoering van de aan de instelling te verrichten werkzaamheden in redelijkheid niet van het bevoegd gezag kan worden gevergd.
3. De betrekkingsomvang bedoeld in het tweede lid, eerste volzin, wordt voor de belanghebbende die op 31 juli 1992 werkzaam was in een functie als bedoeld in hoofdstuk I-Q of I-R aan een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d3 en d9, op 1 augustus 1992 vastgesteld op de uitkomst van
waarbij F gelijk is aan de voor de belanghebbende op 31 juli 1992 geldende betrekkingsomvang. De aldus berekende uitkomst wordt op rekenkundige wijze afgerond op minuten.
4. Binnen de betrekkingsomvang berekend op grond van het derde lid wordt voor de belanghebbende die op 31 juli 1992 werkzaam was in een functie als bedoeld in hoofdstuk I-Q of I-R aan een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d3 en d9, en die op 31 juli 1992 aanspraak had op verlof op grond van artikel V-V1, dit verlof op 1 augustus 1992 vastgesteld op de uitkomst van de formule O - (F-B), waarin,
O = de voor de belanghebbende op 31 juli 1992 geldende omvang van het wekelijks verlof in verband met arbeidsduurverkorting als bedoeld in artikel V-V1, vermenigvuldigd met 2369/28,63 en op rekenkundige wijze afgerond op minuten;
F = de voor de belanghebbende op 31 juli 1992 geldende betrekkingsomvang, vermenigvuldigd met 2369/28,63 en op rekenkundige wijze afgerond op minuten;
B = de voor de belanghebbende op 1 augustus 1992 geldende betrekkingsomvang berekend op grond van het bepaalde in het derde lid.
5. Onverminderd het bepaalde in het tweede lid van de artikelen V-Q101 en V-R101 wordt voor de belanghebbende die op 31 juli 1992 werkzaam was in een functie als bedoeld in hoofdstuk I-Q of I-R aan een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d3 en d9, en die op 31 juli 1992 aanspraak had op extra taakomvang als bedoeld in de artikelen V-Q101 en V-R101 zoals die artikelen luidden op 31 juli 1992, deze extra taakomvang op 1 augustus 1992 vastgesteld op de uitkomst van de formule
waarbij E gelijk is aan de voor de belanghebbende op 31 juli 1992 geldende extra taakomvang. De aldus berekende uitkomst wordt op rekenkundige wijze afgerond op minuten.
6. Het bepaalde in het eerste en tweede lid is van overeenkomstige toepassing voor de belanghebbende, bedoeld in artikel I-A1, onder e1 tot en met e5, e9 en e10, die op 31 juli 1992 is benoemd bij een instelling en wiens benoeming op 1 augustus 1992 wordt omgezet in een bestuursbenoeming als bedoeld in artikel I-A1, onder p.
7. Het bepaalde in het derde, vierde en vijfde lid is van overeenkomstige toepassing voor de belanghebbende die op 31 juli 1992 werkzaam was in een functie als bedoeld in hoofdstuk I-Q of I-R van het Rechtspositiebesluit aan een instelling bedoeld in artikel I-A1, onder d3 en d9, en wiens benoeming op 1 augustus 1992 wordt omgezet in een bestuursbenoeming als bedoeld in artikel I-A1, onder p.
a. Rechtspositiebesluit: het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel (Stb. 1985, 110);
b. instelling: een instelling, bedoeld in artikel 1-A1, onder d1 tot en met d5, d9, d10 en d12, van het Rechtspositiebesluit;
c. belanghebbende: de belanghebbende, bedoeld in artikel I-A1, onder e1 tot en met e5, e9, e10 en e12, die op 31 juli 1992 aan een instelling is verbonden.
2. De op 31 juli 1992 in vaste dienst benoemde belanghebbende blijft op 1 augustus 1992 benoemd aan dezelfde instelling in een functie met dezelfde maximumschaal, hetzelfde carrièrepatroon en dezelfde betrekkingsomvang als die behorende bij de functie waarin hij op 31 juli 1992 was benoemd. Het bepaalde in de eerste volzin geldt niet indien dit in het licht van een goede en doelmatige uitvoering van de aan de instelling te verrichten werkzaamheden in redelijkheid niet van het bevoegd gezag kan worden gevergd.
3. De betrekkingsomvang bedoeld in het tweede lid, eerste volzin, wordt voor de belanghebbende die op 31 juli 1992 werkzaam was in een functie als bedoeld in hoofdstuk I-Q of I-R aan een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d3 en d9, op 1 augustus 1992 vastgesteld op de uitkomst van
waarbij F gelijk is aan de voor de belanghebbende op 31 juli 1992 geldende betrekkingsomvang. De aldus berekende uitkomst wordt op rekenkundige wijze afgerond op minuten.
4. Binnen de betrekkingsomvang berekend op grond van het derde lid wordt voor de belanghebbende die op 31 juli 1992 werkzaam was in een functie als bedoeld in hoofdstuk I-Q of I-R aan een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d3 en d9, en die op 31 juli 1992 aanspraak had op verlof op grond van artikel V-V1, dit verlof op 1 augustus 1992 vastgesteld op de uitkomst van de formule O - (F-B), waarin,
O = de voor de belanghebbende op 31 juli 1992 geldende omvang van het wekelijks verlof in verband met arbeidsduurverkorting als bedoeld in artikel V-V1, vermenigvuldigd met 2369/28,63 en op rekenkundige wijze afgerond op minuten;
F = de voor de belanghebbende op 31 juli 1992 geldende betrekkingsomvang, vermenigvuldigd met 2369/28,63 en op rekenkundige wijze afgerond op minuten;
B = de voor de belanghebbende op 1 augustus 1992 geldende betrekkingsomvang berekend op grond van het bepaalde in het derde lid.
5. Onverminderd het bepaalde in het tweede lid van de artikelen V-Q101 en V-R101 wordt voor de belanghebbende die op 31 juli 1992 werkzaam was in een functie als bedoeld in hoofdstuk I-Q of I-R aan een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d3 en d9, en die op 31 juli 1992 aanspraak had op extra taakomvang als bedoeld in de artikelen V-Q101 en V-R101 zoals die artikelen luidden op 31 juli 1992, deze extra taakomvang op 1 augustus 1992 vastgesteld op de uitkomst van de formule
waarbij E gelijk is aan de voor de belanghebbende op 31 juli 1992 geldende extra taakomvang. De aldus berekende uitkomst wordt op rekenkundige wijze afgerond op minuten.
6. Het bepaalde in het eerste en tweede lid is van overeenkomstige toepassing voor de belanghebbende, bedoeld in artikel I-A1, onder e1 tot en met e5, e9 en e10, die op 31 juli 1992 is benoemd bij een instelling en wiens benoeming op 1 augustus 1992 wordt omgezet in een bestuursbenoeming als bedoeld in artikel I-A1, onder p.
7. Het bepaalde in het derde, vierde en vijfde lid is van overeenkomstige toepassing voor de belanghebbende die op 31 juli 1992 werkzaam was in een functie als bedoeld in hoofdstuk I-Q of I-R van het Rechtspositiebesluit aan een instelling bedoeld in artikel I-A1, onder d3 en d9, en wiens benoeming op 1 augustus 1992 wordt omgezet in een bestuursbenoeming als bedoeld in artikel I-A1, onder p.