BWBR0005584
Geldig vanaf 1993-03-01
Artikel XIX
Wijzigingswet Wet algemene bepalingen milieuhygiëne (Wet milieubeheer)
1. Provinciale verordeningen, vastgesteld krachtens artikel 122 van de Wet geluidhinderof artikel 36of 41 van de Wet bodembescherming, zoals deze luidden voor de inwerkingtreding van de desbetreffende onderdelen van deze wet, alsmede andere provinciale verordeningen in het onderwerp waarvan deze wet voorziet, blijven van kracht tot zij door een verordening op grond van artikel 1.2 van de Wet milieubeheerzijn vervangen, doch uiterlijk tot twee jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel B, van deze wet. Voor zover provinciale verordeningen betrekking hebben op het onderwerp, geregeld in paragraaf 4.8 van de Wet milieubeheer, en de daarin opgenomen bepalingen met die wet niet in strijd zijn, blijven zij van kracht tot twee jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I onderdeel A, van deze wet.
2. De ingevolge de artikelen 4 tot en met 14, 21, 25 en 26 van de Afvalstoffenwet, 117 tot en met 121 en 123 van de Wet geluidhinder, 12 van de Wet verontreiniging oppervlaktewaterenen 33 tot en met 35 en 37 tot en met 40 van de Wet bodembescherming, zoals deze bepalingen luidden voor de inwerkingtreding van de desbetreffende onderdelen van deze wet, geldende bevoegdheden en verplichtingen blijven met betrekking tot een provincie bestaan tot het tijdstip waarop in die provincie een provinciaal milieubeleidsplan als bedoeld in artikel 4.9 van de Wet milieubeheeris vastgesteld.
3. De ingevolge de artikelen 141 van de Wet geluidhinderen 2 tot en met 16 van de Interimwet bodemsanering, zoals deze bepalingen luidden voor de inwerkingtreding van de desbetreffende onderdelen van deze wet, geldende bevoegdheden en verplichtingen blijven met betrekking tot een provincie bestaan tot het tijdstip waarop in die provincie een provinciaal milieuprogramma als bedoeld in artikel 4.14 van de Wet milieubeheeris vastgesteld.
4. Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer kan op een daartoe strekkend schriftelijk en met redenen omkleed verzoek van gedeputeerde staten van een provincie:
a. een door provinciale staten voor het tijdstip van inwerkingtreding van de desbetreffende bepalingen van deze wet vastgesteld plan met betrekking waartoe geheel of nagenoeg geheel aan de ingevolge die bepalingen geldende eisen is voldaan, gelijkstellen met een provinciaal milieubeleidsplan of een provinciaal milieuprogramma;
b. van een ingevolge het tweede of derde lid voor het provinciaal bestuur geldende verplichting ontheffing verlenen, indien aannemelijk gemaakt wordt dat binnen een jaar na het tijdstip waarop aan een zodanige verplichting had moeten zijn voldaan, een provinciaal milieubeleidsplan, onderscheidenlijk een provinciaal milieuprogramma zal worden vastgesteld.
5. Algemene maatregelen van bestuur en ministeriële regelingen, vastgesteld krachtens artikel 2 van de Wet inzake de luchtverontreiniging, artikel 13 van de Wet verontreiniging oppervlaktewaterenen artikel 20 van de Wet bodembescherming, zoals deze artikelen luidden voor het tijdstip van inwerkingtreding van de desbetreffende onderdelen van deze wet, worden gelijkgesteld met algemene maatregelen van bestuur, onderscheidenlijk ministeriële regelingen, vastgesteld krachtens artikel 5.1, onderscheidenlijk artikel 5.4 van de Wet milieubeheer.
2. De ingevolge de artikelen 4 tot en met 14, 21, 25 en 26 van de Afvalstoffenwet, 117 tot en met 121 en 123 van de Wet geluidhinder, 12 van de Wet verontreiniging oppervlaktewaterenen 33 tot en met 35 en 37 tot en met 40 van de Wet bodembescherming, zoals deze bepalingen luidden voor de inwerkingtreding van de desbetreffende onderdelen van deze wet, geldende bevoegdheden en verplichtingen blijven met betrekking tot een provincie bestaan tot het tijdstip waarop in die provincie een provinciaal milieubeleidsplan als bedoeld in artikel 4.9 van de Wet milieubeheeris vastgesteld.
3. De ingevolge de artikelen 141 van de Wet geluidhinderen 2 tot en met 16 van de Interimwet bodemsanering, zoals deze bepalingen luidden voor de inwerkingtreding van de desbetreffende onderdelen van deze wet, geldende bevoegdheden en verplichtingen blijven met betrekking tot een provincie bestaan tot het tijdstip waarop in die provincie een provinciaal milieuprogramma als bedoeld in artikel 4.14 van de Wet milieubeheeris vastgesteld.
4. Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer kan op een daartoe strekkend schriftelijk en met redenen omkleed verzoek van gedeputeerde staten van een provincie:
a. een door provinciale staten voor het tijdstip van inwerkingtreding van de desbetreffende bepalingen van deze wet vastgesteld plan met betrekking waartoe geheel of nagenoeg geheel aan de ingevolge die bepalingen geldende eisen is voldaan, gelijkstellen met een provinciaal milieubeleidsplan of een provinciaal milieuprogramma;
b. van een ingevolge het tweede of derde lid voor het provinciaal bestuur geldende verplichting ontheffing verlenen, indien aannemelijk gemaakt wordt dat binnen een jaar na het tijdstip waarop aan een zodanige verplichting had moeten zijn voldaan, een provinciaal milieubeleidsplan, onderscheidenlijk een provinciaal milieuprogramma zal worden vastgesteld.
5. Algemene maatregelen van bestuur en ministeriële regelingen, vastgesteld krachtens artikel 2 van de Wet inzake de luchtverontreiniging, artikel 13 van de Wet verontreiniging oppervlaktewaterenen artikel 20 van de Wet bodembescherming, zoals deze artikelen luidden voor het tijdstip van inwerkingtreding van de desbetreffende onderdelen van deze wet, worden gelijkgesteld met algemene maatregelen van bestuur, onderscheidenlijk ministeriële regelingen, vastgesteld krachtens artikel 5.1, onderscheidenlijk artikel 5.4 van de Wet milieubeheer.