BWBR0005570
Geldig vanaf 2003-09-01
Artikel 5
Warenwetbesluit persoonlijke beschermingsmiddelen
1. Persoonlijke beschermingsmiddelen zijn onderworpen aan een certificeringsprocedure overeenkomstig het in dit artikel bepaalde en zijn voorzien van de in bijlage IV van de richtlijn bedoelde aanduiding, houdende de CE-markering, alsmede van het identificatienummer krachtens artikel 9, eerste lid, van de richtlijn toegekend aan een aangewezen aangemelde instelling. Indien een certificeringsprocedure de afgifte van een verklaring van EG-typeonderzoek voorschrijft, is het persoonlijke beschermingsmiddel of het model van de persoonlijke beschermingsmiddelen waarop dat voorschrift betrekking heeft, gekeurd.
2. De in het eerste lid bedoelde CE-markering wordt uitsluitend gebezigd indien:
a. voor het beschermingsmiddel: 1e. een EG-verklaring van overeenstemming als bedoeld in bijlage VI van de richtlijn voorhanden is bij de in de Europese Economische Ruimte gevestigde fabrikant, diens in de Europese Economische Ruimte gevestigde gevolmachtigde, dan wel, indien geen van beide in de Europese Economische Ruimte is gevestigd, degene die het beschermingsmiddel in de Europese Economische Ruimte op de markt brengt, en
2e. een technisch dossier als bedoeld in bijlage III van de richtlijn bij één van de personen zoals aangegeven onder 1e voorhanden is, en
3e. behoudens voor beschermingsmiddelen, bedoeld in artikel 8, derde lid, van de richtlijn, een EG-type-onderzoekverklaring is verkregen als bedoeld in artikel 10 van de richtlijn van een aangewezen aangemelde instelling, en
1e. een EG-verklaring van overeenstemming als bedoeld in bijlage VI van de richtlijn voorhanden is bij de in de Europese Economische Ruimte gevestigde fabrikant, diens in de Europese Economische Ruimte gevestigde gevolmachtigde, dan wel, indien geen van beide in de Europese Economische Ruimte is gevestigd, degene die het beschermingsmiddel in de Europese Economische Ruimte op de markt brengt, en
2e. een technisch dossier als bedoeld in bijlage III van de richtlijn bij één van de personen zoals aangegeven onder 1e voorhanden is, en
3e. behoudens voor beschermingsmiddelen, bedoeld in artikel 8, derde lid, van de richtlijn, een EG-type-onderzoekverklaring is verkregen als bedoeld in artikel 10 van de richtlijn van een aangewezen aangemelde instelling, en
b. de vervaardiging van het persoonlijk beschermingsmiddel geschiedt met inachtneming van één van de produktiecontrole-procedures, bedoeld in artikel 11 van de richtlijn, wanneer het een persoonlijk beschermingsmiddel betreft, dat wordt genoemd in artikel 8, vierde lid, onder a, van de richtlijn, dan wel;
c. wanneer het een persoonlijk beschermingsmiddel betreft dat niet wordt genoemd in artikel 8, vierde lid, onder a, van de richtlijn, voor elk vervaardigd persoonlijk beschermingsmiddel een EG-verklaring van overeenstemming als bedoeld in bijlage VI van de richtlijn voorhanden is bij de in de Europese Economische Ruimte gevestigde fabrikant, diens in de Europese Economische Ruimte gevestigde gevolmachtigde, dan wel, indien geen van beide in de Europese Economische Ruimte is gevestigd, degene die het beschermingsmiddel in de Europese Economische Ruimte in de handel brengt.
3. Indien persoonlijke beschermingsmiddelen uitsluitend bestemd zijn voor beroepsmatige toepassing, is het eerste lid niet van toepassing op onderdelen van de persoonlijke beschermingsmiddelen die bestemd zijn om te worden ingebouwd in persoonlijke beschermingsmiddelen of met andere onderdelen te worden samengebouwd tot één persoonlijk beschermingsmiddel, mits zij geen wezenlijk onderdeel van persoonlijke beschermingsmiddelen zijn die voor de goede werking ervan onmisbaar zijn, en op de samenstellingen dit besluit van toepassing is.
4. Indien bij de vervaardiging geharmoniseerde normen niet of slechts gedeeltelijk zijn toegepast, of wanneer die normen ontbreken, wordt in de verklaring van de aangewezen aangemelde instelling de overeenstemming met de fundamentele eisen met inachtneming van de procedure van artikel 10, vierde lid, onder a, tweede gedachtestreepje en b, tweede gedachtestreepje, van de richtlijn, vermeld.
5. a. Indien de fabrikant, diens in Nederland gevestigde gevolmachtigde, dan wel, indien geen van beiden in Nederland zijn gevestigd, degene die het persoonlijke beschermingsmiddel in Nederland op de markt brengt, voornemens is aan het model van een persoonlijke beschermingsmiddel of aan te vervaardigen en in de handel te brengen persoonlijke beschermingsmiddelen waarvoor een verklaring van typeonderzoek is afgegeven, wijzigingen aan te brengen, stelt hij de aangewezen aangemelde instelling die de verklaring van EG-typeonderzoek heeft afgegeven hiervan onverwijld in kennis.
b. De in onderdeel a bedoelde aangewezen aangemelde instelling beoordeelt de wijzigingen en deelt de genoemde persoon mede of de typeonderzoekverklaring voor het aldus gewijzigde persoonlijke beschermingsmiddel geldig is.
c. Indien de in onderdeel a bedoelde aangewezen aangemelde instelling van oordeel is dat de verklaring van EG-typeonderzoek voor het gewijzigde persoonlijke beschermingsmiddel niet geldig is, moet dit persoonlijke beschermingsmiddel aan een EG-typeonderzoek worden onderworpen.
6. De kosten van het EG-typeonderzoek, bedoeld in het tweede en vijfde lid, en de beoordeling, bedoeld in vijfde lid, zijn voor rekening van de fabrikant.
2. De in het eerste lid bedoelde CE-markering wordt uitsluitend gebezigd indien:
a. voor het beschermingsmiddel: 1e. een EG-verklaring van overeenstemming als bedoeld in bijlage VI van de richtlijn voorhanden is bij de in de Europese Economische Ruimte gevestigde fabrikant, diens in de Europese Economische Ruimte gevestigde gevolmachtigde, dan wel, indien geen van beide in de Europese Economische Ruimte is gevestigd, degene die het beschermingsmiddel in de Europese Economische Ruimte op de markt brengt, en
2e. een technisch dossier als bedoeld in bijlage III van de richtlijn bij één van de personen zoals aangegeven onder 1e voorhanden is, en
3e. behoudens voor beschermingsmiddelen, bedoeld in artikel 8, derde lid, van de richtlijn, een EG-type-onderzoekverklaring is verkregen als bedoeld in artikel 10 van de richtlijn van een aangewezen aangemelde instelling, en
1e. een EG-verklaring van overeenstemming als bedoeld in bijlage VI van de richtlijn voorhanden is bij de in de Europese Economische Ruimte gevestigde fabrikant, diens in de Europese Economische Ruimte gevestigde gevolmachtigde, dan wel, indien geen van beide in de Europese Economische Ruimte is gevestigd, degene die het beschermingsmiddel in de Europese Economische Ruimte op de markt brengt, en
2e. een technisch dossier als bedoeld in bijlage III van de richtlijn bij één van de personen zoals aangegeven onder 1e voorhanden is, en
3e. behoudens voor beschermingsmiddelen, bedoeld in artikel 8, derde lid, van de richtlijn, een EG-type-onderzoekverklaring is verkregen als bedoeld in artikel 10 van de richtlijn van een aangewezen aangemelde instelling, en
b. de vervaardiging van het persoonlijk beschermingsmiddel geschiedt met inachtneming van één van de produktiecontrole-procedures, bedoeld in artikel 11 van de richtlijn, wanneer het een persoonlijk beschermingsmiddel betreft, dat wordt genoemd in artikel 8, vierde lid, onder a, van de richtlijn, dan wel;
c. wanneer het een persoonlijk beschermingsmiddel betreft dat niet wordt genoemd in artikel 8, vierde lid, onder a, van de richtlijn, voor elk vervaardigd persoonlijk beschermingsmiddel een EG-verklaring van overeenstemming als bedoeld in bijlage VI van de richtlijn voorhanden is bij de in de Europese Economische Ruimte gevestigde fabrikant, diens in de Europese Economische Ruimte gevestigde gevolmachtigde, dan wel, indien geen van beide in de Europese Economische Ruimte is gevestigd, degene die het beschermingsmiddel in de Europese Economische Ruimte in de handel brengt.
3. Indien persoonlijke beschermingsmiddelen uitsluitend bestemd zijn voor beroepsmatige toepassing, is het eerste lid niet van toepassing op onderdelen van de persoonlijke beschermingsmiddelen die bestemd zijn om te worden ingebouwd in persoonlijke beschermingsmiddelen of met andere onderdelen te worden samengebouwd tot één persoonlijk beschermingsmiddel, mits zij geen wezenlijk onderdeel van persoonlijke beschermingsmiddelen zijn die voor de goede werking ervan onmisbaar zijn, en op de samenstellingen dit besluit van toepassing is.
4. Indien bij de vervaardiging geharmoniseerde normen niet of slechts gedeeltelijk zijn toegepast, of wanneer die normen ontbreken, wordt in de verklaring van de aangewezen aangemelde instelling de overeenstemming met de fundamentele eisen met inachtneming van de procedure van artikel 10, vierde lid, onder a, tweede gedachtestreepje en b, tweede gedachtestreepje, van de richtlijn, vermeld.
5. a. Indien de fabrikant, diens in Nederland gevestigde gevolmachtigde, dan wel, indien geen van beiden in Nederland zijn gevestigd, degene die het persoonlijke beschermingsmiddel in Nederland op de markt brengt, voornemens is aan het model van een persoonlijke beschermingsmiddel of aan te vervaardigen en in de handel te brengen persoonlijke beschermingsmiddelen waarvoor een verklaring van typeonderzoek is afgegeven, wijzigingen aan te brengen, stelt hij de aangewezen aangemelde instelling die de verklaring van EG-typeonderzoek heeft afgegeven hiervan onverwijld in kennis.
b. De in onderdeel a bedoelde aangewezen aangemelde instelling beoordeelt de wijzigingen en deelt de genoemde persoon mede of de typeonderzoekverklaring voor het aldus gewijzigde persoonlijke beschermingsmiddel geldig is.
c. Indien de in onderdeel a bedoelde aangewezen aangemelde instelling van oordeel is dat de verklaring van EG-typeonderzoek voor het gewijzigde persoonlijke beschermingsmiddel niet geldig is, moet dit persoonlijke beschermingsmiddel aan een EG-typeonderzoek worden onderworpen.
6. De kosten van het EG-typeonderzoek, bedoeld in het tweede en vijfde lid, en de beoordeling, bedoeld in vijfde lid, zijn voor rekening van de fabrikant.