BWBR0005495
Geldig vanaf 1992-10-01
Artikel 2
Besluit meldingplichtige bouwwerken
Voor de toepassing van artikel 42 van de Woningwetkomen in aanmerking:
a. een gebouw op een zij- of achtererf van een woning of een ander gebouw dan wel op een standplaats, ten dienste van een groter genot van het gebruik van die woning, dat andere gebouw dan wel de op die standplaats geplaatste woonwagen, met dien verstande dat: 1°. de bruto-inhoud niet meer is dan 50 m3;
2°. de breedte niet meer is dan 3 m;
3°. de hoogte, gemeten vanaf het aansluitend terrein, niet meer is dan 2,7 m;
4°. de afstand tot de voorgevelrooilijn ten minste 3 m is, en
5°. de toevoeging van het gebouw niet tot gevolg mag hebben dat het oorspronkelijk bij de woning of het andere gebouw aansluitende terrein dan wel het bij de woonwagen aansluitende deel van de standplaats voor meer dan 50% is bebouwd;
1°. de bruto-inhoud niet meer is dan 50 m3;
2°. de breedte niet meer is dan 3 m;
3°. de hoogte, gemeten vanaf het aansluitend terrein, niet meer is dan 2,7 m;
4°. de afstand tot de voorgevelrooilijn ten minste 3 m is, en
5°. de toevoeging van het gebouw niet tot gevolg mag hebben dat het oorspronkelijk bij de woning of het andere gebouw aansluitende terrein dan wel het bij de woonwagen aansluitende deel van de standplaats voor meer dan 50% is bebouwd;
b. een aan- of uitbouw aan een zij- of achtergevel van een woning of een ander gebouw, met dien verstande dat: 1°. de bruto-inhoud niet meer is dan 50 m3;
2°. de breedte niet meer is dan 3 m;
3°. de hoogte, gemeten vanaf het aansluitend terrein, niet meer is dan 2,7 m;
4°. de afstand tot de voorgevelrooilijn ten minste 3 m is, en
5°. de oppervlakte die ingevolge het geldende bestemmingsplan voor bebouwing in aanmerking komt, met niet meer dan 15% wordt overschreden;
1°. de bruto-inhoud niet meer is dan 50 m3;
2°. de breedte niet meer is dan 3 m;
3°. de hoogte, gemeten vanaf het aansluitend terrein, niet meer is dan 2,7 m;
4°. de afstand tot de voorgevelrooilijn ten minste 3 m is, en
5°. de oppervlakte die ingevolge het geldende bestemmingsplan voor bebouwing in aanmerking komt, met niet meer dan 15% wordt overschreden;
c. een dakkapel, voor zover gelegen op het achterdakvlak, met dien verstande dat: 1°. de breedte niet meer dan ½ van de breedte van het dakvlak beslaat;
2°. de bovenzijde ten minste 0,5 m onder de noklijn is gelegen, en
3°. de onderzijde in het dakvlak is geplaatst;
1°. de breedte niet meer dan ½ van de breedte van het dakvlak beslaat;
2°. de bovenzijde ten minste 0,5 m onder de noklijn is gelegen, en
3°. de onderzijde in het dakvlak is geplaatst;
d. een gebouw ten behoeve van een openbare nutsvoorziening, het openbaar vervoer of het wegverkeer, met dien verstande dat: 1°. de bruto-inhoud niet meer is dan 50 m3;
2°. de breedte niet meer is dan 3 m, en
3°. de hoogte, gemeten vanaf het aansluitend terrein, niet meer is dan 2,7 m;
1°. de bruto-inhoud niet meer is dan 50 m3;
2°. de breedte niet meer is dan 3 m, en
3°. de hoogte, gemeten vanaf het aansluitend terrein, niet meer is dan 2,7 m;
e. een bouwwerk, geen gebouw zijnde, ten behoeve van het ontvangen van telecommunicatiesignalen met een grotere doorsnede dan 1 m, voor zover gelegen op het achtererf van een woning of een ander gebouw, met dien verstande dat: 1°. de doorsnede niet groter is dan 2 m, en
2°. de hoogte, gemeten vanaf het aansluitende terrein, niet meer is dan 3 m;
1°. de doorsnede niet groter is dan 2 m, en
2°. de hoogte, gemeten vanaf het aansluitende terrein, niet meer is dan 3 m;
f. een bouwwerk, geen gebouw zijnde, voor wegaanduiding en verkeersgeleiding ten dienste van het weg-, spoorweg-, water- of luchtverkeer, voor zover dat bouwwerk niet een bouwwerk is als bedoeld in artikel 43, eerste lid, onderdeel f, van de Woningwet;
g. het aanbrengen van zonwering of een rolluik aan een woning of een ander gebouw.
a. een gebouw op een zij- of achtererf van een woning of een ander gebouw dan wel op een standplaats, ten dienste van een groter genot van het gebruik van die woning, dat andere gebouw dan wel de op die standplaats geplaatste woonwagen, met dien verstande dat: 1°. de bruto-inhoud niet meer is dan 50 m3;
2°. de breedte niet meer is dan 3 m;
3°. de hoogte, gemeten vanaf het aansluitend terrein, niet meer is dan 2,7 m;
4°. de afstand tot de voorgevelrooilijn ten minste 3 m is, en
5°. de toevoeging van het gebouw niet tot gevolg mag hebben dat het oorspronkelijk bij de woning of het andere gebouw aansluitende terrein dan wel het bij de woonwagen aansluitende deel van de standplaats voor meer dan 50% is bebouwd;
1°. de bruto-inhoud niet meer is dan 50 m3;
2°. de breedte niet meer is dan 3 m;
3°. de hoogte, gemeten vanaf het aansluitend terrein, niet meer is dan 2,7 m;
4°. de afstand tot de voorgevelrooilijn ten minste 3 m is, en
5°. de toevoeging van het gebouw niet tot gevolg mag hebben dat het oorspronkelijk bij de woning of het andere gebouw aansluitende terrein dan wel het bij de woonwagen aansluitende deel van de standplaats voor meer dan 50% is bebouwd;
b. een aan- of uitbouw aan een zij- of achtergevel van een woning of een ander gebouw, met dien verstande dat: 1°. de bruto-inhoud niet meer is dan 50 m3;
2°. de breedte niet meer is dan 3 m;
3°. de hoogte, gemeten vanaf het aansluitend terrein, niet meer is dan 2,7 m;
4°. de afstand tot de voorgevelrooilijn ten minste 3 m is, en
5°. de oppervlakte die ingevolge het geldende bestemmingsplan voor bebouwing in aanmerking komt, met niet meer dan 15% wordt overschreden;
1°. de bruto-inhoud niet meer is dan 50 m3;
2°. de breedte niet meer is dan 3 m;
3°. de hoogte, gemeten vanaf het aansluitend terrein, niet meer is dan 2,7 m;
4°. de afstand tot de voorgevelrooilijn ten minste 3 m is, en
5°. de oppervlakte die ingevolge het geldende bestemmingsplan voor bebouwing in aanmerking komt, met niet meer dan 15% wordt overschreden;
c. een dakkapel, voor zover gelegen op het achterdakvlak, met dien verstande dat: 1°. de breedte niet meer dan ½ van de breedte van het dakvlak beslaat;
2°. de bovenzijde ten minste 0,5 m onder de noklijn is gelegen, en
3°. de onderzijde in het dakvlak is geplaatst;
1°. de breedte niet meer dan ½ van de breedte van het dakvlak beslaat;
2°. de bovenzijde ten minste 0,5 m onder de noklijn is gelegen, en
3°. de onderzijde in het dakvlak is geplaatst;
d. een gebouw ten behoeve van een openbare nutsvoorziening, het openbaar vervoer of het wegverkeer, met dien verstande dat: 1°. de bruto-inhoud niet meer is dan 50 m3;
2°. de breedte niet meer is dan 3 m, en
3°. de hoogte, gemeten vanaf het aansluitend terrein, niet meer is dan 2,7 m;
1°. de bruto-inhoud niet meer is dan 50 m3;
2°. de breedte niet meer is dan 3 m, en
3°. de hoogte, gemeten vanaf het aansluitend terrein, niet meer is dan 2,7 m;
e. een bouwwerk, geen gebouw zijnde, ten behoeve van het ontvangen van telecommunicatiesignalen met een grotere doorsnede dan 1 m, voor zover gelegen op het achtererf van een woning of een ander gebouw, met dien verstande dat: 1°. de doorsnede niet groter is dan 2 m, en
2°. de hoogte, gemeten vanaf het aansluitende terrein, niet meer is dan 3 m;
1°. de doorsnede niet groter is dan 2 m, en
2°. de hoogte, gemeten vanaf het aansluitende terrein, niet meer is dan 3 m;
f. een bouwwerk, geen gebouw zijnde, voor wegaanduiding en verkeersgeleiding ten dienste van het weg-, spoorweg-, water- of luchtverkeer, voor zover dat bouwwerk niet een bouwwerk is als bedoeld in artikel 43, eerste lid, onderdeel f, van de Woningwet;
g. het aanbrengen van zonwering of een rolluik aan een woning of een ander gebouw.