BWBR0005461
Geldig vanaf 1992-05-01
Artikel 5
Regeling ter uitvoering van de Wet openbaarheid van bestuur
1. Het behandelen van verzoeken om informatie en vragen daaromtrent geschiedt door het bij het onderwerp betrokken dienstonderdeel of de bij het onderwerp betrokken vertegenwoordiging in het buitenland, in overleg met en gecoördineerd door de afdeling Bestuursrecht van de directie Juridische Zaken, en, voor zover er sprake is van een verzoek met mogelijke politieke en publicitaire gevolgen, met de directie Voorlichting en Communicatie. De eerste volzin laat de mogelijkheid onverlet dat de minister de verzoeken en vragen zelf behandelt, dan wel de behandeling daarvan in bepaalde gevallen aan anderen opdraagt.
2. Het dienstonderdeel of de vertegenwoordiging in het buitenland, bedoeld in het eerste lid, leidt een verzoek om informatie ten behoeve van de coördinatie en registratie daarvan, onverwijld door naar de afdeling Bestuursrecht van de directie Juridische Zaken.
3. Het bij het onderwerp betrokken dienstonderdeel of de bij het onderwerp betrokken vertegenwoordiging in het buitenland beslist, in overeenstemming met de afdeling Bestuursrecht van de directie Juridische Zaken, op een verzoek om informatie indien men:
a. weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat de geldende voorschriften weinig tot geen ruimte laten voor verschillende uitleg over de vraag of het verzoek al dan niet behoort te worden ingewilligd;
b. weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat inwilliging of weigering van het verzoek geen belangrijke politieke en publicitaire gevolgen kan hebben.
4. Het eerste lid doet geen afbreuk aan de uit de normale taakuitoefening voortvloeiende plicht van de ambtenaar om aan particuliere personen en instanties met wie hij door zijn functie in contact komt, informatie op verzoek te verschaffen over de daarbij aan de orde zijnde aangelegenheden.
2. Het dienstonderdeel of de vertegenwoordiging in het buitenland, bedoeld in het eerste lid, leidt een verzoek om informatie ten behoeve van de coördinatie en registratie daarvan, onverwijld door naar de afdeling Bestuursrecht van de directie Juridische Zaken.
3. Het bij het onderwerp betrokken dienstonderdeel of de bij het onderwerp betrokken vertegenwoordiging in het buitenland beslist, in overeenstemming met de afdeling Bestuursrecht van de directie Juridische Zaken, op een verzoek om informatie indien men:
a. weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat de geldende voorschriften weinig tot geen ruimte laten voor verschillende uitleg over de vraag of het verzoek al dan niet behoort te worden ingewilligd;
b. weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat inwilliging of weigering van het verzoek geen belangrijke politieke en publicitaire gevolgen kan hebben.
4. Het eerste lid doet geen afbreuk aan de uit de normale taakuitoefening voortvloeiende plicht van de ambtenaar om aan particuliere personen en instanties met wie hij door zijn functie in contact komt, informatie op verzoek te verschaffen over de daarbij aan de orde zijnde aangelegenheden.