BWBR0005438
Geldig vanaf 1992-04-10
Artikel 2
Instelling Commissie onderzoek mogelijkheden verruiming eigen middelen gemeenten en provincies
1. De Commissie heeft tot taak:
a. te bezien op welke wijze via een substantiële vergroting van het relatieve aandeel van de eigen middelen in het totaal van de inkomsten van gemeenten en provincies kan worden bijgedragen aan vergroting van de financiële verantwoordelijkheid van gemeenten en provincies. De Commissie besteedt tevens aandacht aan de gevolgen van de ontwikkeling naar regionale vormen van bestuur en de relaties daarvan met het eigen belastinggebied van gemeenten, regionale besturen en provincies;
b. in het licht van de onder a geformuleerde opdracht de mogelijkheden te bezien om rijksbelastingen om te zetten in bestaande of nieuwe gemeentelijke resp. provinciale belastingen, dan wel rijksbelastingen te verlagen en gemeentelijke resp. provinciale belastingen in samenhang daarmee te verhogen respectievelijk in te voeren;
c. de mogelijkheid te bezien om gemeenten een direct aandeel te geven in rijksbelastingen (bijvoorbeeld de BTW), in relatie tot de mate waarin die belasting(en) in de desbetreffende gemeenten is (zijn) gegenereerd;
d. het onder a, b en c gestelde in een onderling samenhangend pakket van maatregelen te behandelen. De maatregelen moeten realiseerbaar zijn; de Commissie schetst een begin van de uitwerking van die maatregelen (inclusief een indicatie van de herverdeeleffecten op het niveau van de gemeenten resp. provincies en van de belastingplichtigen) en taxeert de maatregelen op politieke haalbaarheid en praktische mogelijkheden van uitvoering. Dit pakket van maatregelen moet blijven binnen de randvoorwaarde van ten hoogste gelijkblijvende collectieve lastendruk en mag niet leiden tot budgettaire belasting voor het Rijk. De voor te stellen maatregelen dienen te worden beoordeeld aan de hand van de uitgangspunten zoals die zijn verwoord in het kabinetsstandpunt over de toekomst van het provinciale belastinggebied op langere termijn (Kamerstukken II 1990/91, nr. 2, par. 8.1, blz. 11);
e. in beschrijvende termen aan te geven welke wet- en regelgeving gewijzigd moet worden voor de realisatie van het pakket beleidsmaatregelen. Zij geeft daarbij tevens een eerste verkenning van mogelijkheden, termijnen en eventueel te verwachten knelpunten. De Commissie ontwikkelt geen wetsvoorstellen.
2. Gelet op de samenhang met de overige maatregelen in het kader van de Decentralisatie-Impuls en met name met de budgettaire aspecten van de te decentraliseren specifieke uitkeringen zullen de voorstellen zo mogelijk per 1993 of 1994 moeten kunnen worden ingevoerd.
3. De Commissie biedt voor het eind van de maand augustus 1992 aan de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en de Staatssecretaris van Financiën een rapport aan waarin zij haar bevindingen en conclusies neerlegt. Indien gewenst kan de Commissie besluiten vóór haar eindrapport een interimrapportage uit te brengen.
a. te bezien op welke wijze via een substantiële vergroting van het relatieve aandeel van de eigen middelen in het totaal van de inkomsten van gemeenten en provincies kan worden bijgedragen aan vergroting van de financiële verantwoordelijkheid van gemeenten en provincies. De Commissie besteedt tevens aandacht aan de gevolgen van de ontwikkeling naar regionale vormen van bestuur en de relaties daarvan met het eigen belastinggebied van gemeenten, regionale besturen en provincies;
b. in het licht van de onder a geformuleerde opdracht de mogelijkheden te bezien om rijksbelastingen om te zetten in bestaande of nieuwe gemeentelijke resp. provinciale belastingen, dan wel rijksbelastingen te verlagen en gemeentelijke resp. provinciale belastingen in samenhang daarmee te verhogen respectievelijk in te voeren;
c. de mogelijkheid te bezien om gemeenten een direct aandeel te geven in rijksbelastingen (bijvoorbeeld de BTW), in relatie tot de mate waarin die belasting(en) in de desbetreffende gemeenten is (zijn) gegenereerd;
d. het onder a, b en c gestelde in een onderling samenhangend pakket van maatregelen te behandelen. De maatregelen moeten realiseerbaar zijn; de Commissie schetst een begin van de uitwerking van die maatregelen (inclusief een indicatie van de herverdeeleffecten op het niveau van de gemeenten resp. provincies en van de belastingplichtigen) en taxeert de maatregelen op politieke haalbaarheid en praktische mogelijkheden van uitvoering. Dit pakket van maatregelen moet blijven binnen de randvoorwaarde van ten hoogste gelijkblijvende collectieve lastendruk en mag niet leiden tot budgettaire belasting voor het Rijk. De voor te stellen maatregelen dienen te worden beoordeeld aan de hand van de uitgangspunten zoals die zijn verwoord in het kabinetsstandpunt over de toekomst van het provinciale belastinggebied op langere termijn (Kamerstukken II 1990/91, nr. 2, par. 8.1, blz. 11);
e. in beschrijvende termen aan te geven welke wet- en regelgeving gewijzigd moet worden voor de realisatie van het pakket beleidsmaatregelen. Zij geeft daarbij tevens een eerste verkenning van mogelijkheden, termijnen en eventueel te verwachten knelpunten. De Commissie ontwikkelt geen wetsvoorstellen.
2. Gelet op de samenhang met de overige maatregelen in het kader van de Decentralisatie-Impuls en met name met de budgettaire aspecten van de te decentraliseren specifieke uitkeringen zullen de voorstellen zo mogelijk per 1993 of 1994 moeten kunnen worden ingevoerd.
3. De Commissie biedt voor het eind van de maand augustus 1992 aan de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en de Staatssecretaris van Financiën een rapport aan waarin zij haar bevindingen en conclusies neerlegt. Indien gewenst kan de Commissie besluiten vóór haar eindrapport een interimrapportage uit te brengen.