BWBR0005384
Geldig vanaf 2016-05-10
Artikel 7
Warenwetbesluit gastoestellen
1. Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport wijst de instellingen aan die:
a. bevoegd zijn het in artikel 5, tweede lid, onder a, bedoelde EG-type-onderzoek te verrichten;
b. bevoegd zijn tot het verrichten van steekproeven, EG-toezicht en EG-keuring zoals omschreven in de in artikel 5, tweede lid, onder a en b, bedoelde procedures.
2. Voor een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid, komen in aanmerking instanties die tenminste voldoen aan de in bijlage Vgenoemde voorwaarden.
3. Aan de krachtens het eerste lid aangewezen instellingen worden gelijkgesteld de door de daartoe bevoegde autoriteiten van de lid-staten van de Europese Gemeenschappen dan wel die van de overige staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, in het kader van de richtlijn 90/396/EEG( <em>PbEG</em>L 196) aangewezen instellingen.
4. Onze Minister kan een aanwijzing schorsen, wijzigen of intrekken:
a. op grond van feiten of omstandigheden waarvan Onze Minister bij de aanwijzing redelijkerwijs niet op de hoogte kon zijn en op grond waarvan hij de aanwijzing niet zou hebben gegeven;
b. op grond van door de aangewezen instelling verstrekte onjuiste inlichtingen over feiten of omstandigheden, tenzij de onjuistheid daarvan aan de instelling onbekend was of kon zijn;
c. indien de aangewezen instelling niet meer voldoet aan de in bijlage V genoemde voorwaarden;
d. indien de aangewezen instelling gedurende een aaneengesloten periode van twee jaren geen werkzaamheden waarvoor zij is aangewezen, heeft uitgevoerd; of
e. indien de aangewezen instelling haar wettelijke verplichtingen niet naar behoren nakomt of de taken waarvoor zij is aangewezen, niet naar behoren uitvoert.
a. bevoegd zijn het in artikel 5, tweede lid, onder a, bedoelde EG-type-onderzoek te verrichten;
b. bevoegd zijn tot het verrichten van steekproeven, EG-toezicht en EG-keuring zoals omschreven in de in artikel 5, tweede lid, onder a en b, bedoelde procedures.
2. Voor een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid, komen in aanmerking instanties die tenminste voldoen aan de in bijlage Vgenoemde voorwaarden.
3. Aan de krachtens het eerste lid aangewezen instellingen worden gelijkgesteld de door de daartoe bevoegde autoriteiten van de lid-staten van de Europese Gemeenschappen dan wel die van de overige staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, in het kader van de richtlijn 90/396/EEG( <em>PbEG</em>L 196) aangewezen instellingen.
4. Onze Minister kan een aanwijzing schorsen, wijzigen of intrekken:
a. op grond van feiten of omstandigheden waarvan Onze Minister bij de aanwijzing redelijkerwijs niet op de hoogte kon zijn en op grond waarvan hij de aanwijzing niet zou hebben gegeven;
b. op grond van door de aangewezen instelling verstrekte onjuiste inlichtingen over feiten of omstandigheden, tenzij de onjuistheid daarvan aan de instelling onbekend was of kon zijn;
c. indien de aangewezen instelling niet meer voldoet aan de in bijlage V genoemde voorwaarden;
d. indien de aangewezen instelling gedurende een aaneengesloten periode van twee jaren geen werkzaamheden waarvoor zij is aangewezen, heeft uitgevoerd; of
e. indien de aangewezen instelling haar wettelijke verplichtingen niet naar behoren nakomt of de taken waarvoor zij is aangewezen, niet naar behoren uitvoert.