BWBR0005346
Geldig vanaf 1992-01-01
Artikel XIV
Invoeringswet Wet op de accijns
1. Op grond van de in artikel XIIbedoelde wetten verleende vergunningen of goedkeuringen voor het vervaardigen van accijnsgoederen, voor het opslaan van accijnsgoederen onder krediet voor de accijns of voor het opslaan van accijnsgoederen zonder verschuldigdheid van de accijns, alsmede op grond van de Algemene wet inzake de douane en de accijnzen verleende vergunningen voor een accijnsentrepot, worden tot wederopzegging aangemerkt als krachtens de Wet op de accijnsverleende vergunningen voor een accijnsgoederenplaats.
2. Op grond van de in artikel XIIbedoelde wetten en op grond van de Algemene wet inzake de douane en de accijnzen gestelde zekerheden inzake de vervaardiging of de opslag van accijnsgoederen, worden aangemerkt als op grond van de Wet op de accijnsgestelde zekerheden.
3. De inspecteur onderzoekt vóór 1 januari 1993 of de plaatsen waarvan de in het eerste lid bedoelde vergunning of goedkeuring ingevolge dat lid wordt aangemerkt als een vergunning voor een accijnsgoederenplaats, voldoen aan de bij of krachtens de Wet op de accijnsgestelde voorwaarden voor het verkrijgen van een vergunning voor een accijnsgoederenplaats.
2. Op grond van de in artikel XIIbedoelde wetten en op grond van de Algemene wet inzake de douane en de accijnzen gestelde zekerheden inzake de vervaardiging of de opslag van accijnsgoederen, worden aangemerkt als op grond van de Wet op de accijnsgestelde zekerheden.
3. De inspecteur onderzoekt vóór 1 januari 1993 of de plaatsen waarvan de in het eerste lid bedoelde vergunning of goedkeuring ingevolge dat lid wordt aangemerkt als een vergunning voor een accijnsgoederenplaats, voldoen aan de bij of krachtens de Wet op de accijnsgestelde voorwaarden voor het verkrijgen van een vergunning voor een accijnsgoederenplaats.