BWBR0005207
Geldig vanaf 1991-12-01
Artikel 2
Besluit asbestvrije frictiematerialen Wet milieugevaarlijke stoffen
1. Het is verboden frictiematerialen die asbest bevatten, te monteren in een motorrijtuig.
2. Het eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van motorrijtuigen die behoren tot een type waarvoor geen asbestvrije frictiematerialen zijn vermeld:
a. in de bescheiden bedoeld in bijlage I bij de Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 6 februari 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan (70/156/EEG, PbEG L 42), dan wel
b. in de bescheiden bedoeld in paragraaf 3 van Reglement 13, aanhangsel 12, behorende bij de overeenkomst van 20 maart 1958 betreffende het aannemen van eenvormige goedkeuringsvoorwaarden en de wederzijdse erkenning van uitrustingsstukken en onderdelen van motorrijtuigen (Trb. 1959, 83),
die zijn overgelegd door de fabrikant of importeur aan de keuringsinstantie ter gelegenheid van een EEG-goedkeuring, of ECE-goedkeuring, als bedoeld in die richtlijn, onderscheidenlijk in die overeenkomst.
3. Voor de toepassing van dit artikel worden onder de bijlage bedoeld in het tweede lid, mede begrepen de wijzigingen die daarin zijn aangebracht, laatstelijk bij de Richtlijn van de Raad van 25 juni 1987 (87/358/EEG, <em>PbEG</em>L 192), alsmede, nadat daarvan door Onze Minister kennisgeving is gedaan in de <em>Staatscourant</em>, de wijzigingen die daarna worden aangebracht.
2. Het eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van motorrijtuigen die behoren tot een type waarvoor geen asbestvrije frictiematerialen zijn vermeld:
a. in de bescheiden bedoeld in bijlage I bij de Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 6 februari 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan (70/156/EEG, PbEG L 42), dan wel
b. in de bescheiden bedoeld in paragraaf 3 van Reglement 13, aanhangsel 12, behorende bij de overeenkomst van 20 maart 1958 betreffende het aannemen van eenvormige goedkeuringsvoorwaarden en de wederzijdse erkenning van uitrustingsstukken en onderdelen van motorrijtuigen (Trb. 1959, 83),
die zijn overgelegd door de fabrikant of importeur aan de keuringsinstantie ter gelegenheid van een EEG-goedkeuring, of ECE-goedkeuring, als bedoeld in die richtlijn, onderscheidenlijk in die overeenkomst.
3. Voor de toepassing van dit artikel worden onder de bijlage bedoeld in het tweede lid, mede begrepen de wijzigingen die daarin zijn aangebracht, laatstelijk bij de Richtlijn van de Raad van 25 juni 1987 (87/358/EEG, <em>PbEG</em>L 192), alsmede, nadat daarvan door Onze Minister kennisgeving is gedaan in de <em>Staatscourant</em>, de wijzigingen die daarna worden aangebracht.