BWBR0005194
Geldig vanaf 1991-04-01
Artikel VIII
Wijzigingsbesluit Militaire wachtgeldregeling 1961
1. De rechthebbende op een uitkering ingevolge het Besluit aanvulling arbeidsongeschiktheidsuitkering militairen ( Stb.1974, 501) heeft, indien de duur van die uitkering verstrijkt na 31 maart 1991, tot een nader door Ons te bepalen datum recht op een vervolguitkering.
2. De duur van de vervolguitkering is een jaar. De vervolguitkering gaat direct na het verstrijken van de uitkering krachtens het in het eerste lid bedoelde besluit in, dan wel, indien de uitvoering van dat besluit ingevolge het daarin opgenomen artikel 3 werd opgeschort en in verband met het bepaalde in het tweede lid van dat artikel niet werd hervat, direct na het verstrijken van de in dat lid genoemde termijn van twaalf maanden. In het laatste geval wordt de bedoelde opschorting voortgezet tot de oorzaak daarvan heeft opgehouden te bestaan.
3. De hoogte van de vervolguitkering is gelijk aan het bedrag dat nodig is om de ingevolge de Algemene militaire pensioenwet ( Stb.1988, 284) uit te betalen bruto maandelijkse pensioentermijnen te verhogen tot het bruto bedrag dat zou zijn uitbetaald indien aanspraak bestond op een vervolgwachtgeld zoals dat bij dit besluit in de Militaire wachtgeldregeling 1961 is ingebracht.
4. Indien de rechthebbende op een vervolguitkering als bedoeld in de voorgaande leden voldoet aan de in de Tijdelijke regeling WWV-vervangende uitkering gestelde eisen voor een uitkering van langer dan een jaar, wordt de vervolguitkering met die langere duur verlengd.
5. Voor zover daarvan in de voorgaande leden niet is afgeweken zijn op de vervolguitkering de ten aanzien van een uitkering ingevolge het Besluit aanvulling arbeidsongeschiktheidsuitkering militairen gestelde regels voor zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing.
2. De duur van de vervolguitkering is een jaar. De vervolguitkering gaat direct na het verstrijken van de uitkering krachtens het in het eerste lid bedoelde besluit in, dan wel, indien de uitvoering van dat besluit ingevolge het daarin opgenomen artikel 3 werd opgeschort en in verband met het bepaalde in het tweede lid van dat artikel niet werd hervat, direct na het verstrijken van de in dat lid genoemde termijn van twaalf maanden. In het laatste geval wordt de bedoelde opschorting voortgezet tot de oorzaak daarvan heeft opgehouden te bestaan.
3. De hoogte van de vervolguitkering is gelijk aan het bedrag dat nodig is om de ingevolge de Algemene militaire pensioenwet ( Stb.1988, 284) uit te betalen bruto maandelijkse pensioentermijnen te verhogen tot het bruto bedrag dat zou zijn uitbetaald indien aanspraak bestond op een vervolgwachtgeld zoals dat bij dit besluit in de Militaire wachtgeldregeling 1961 is ingebracht.
4. Indien de rechthebbende op een vervolguitkering als bedoeld in de voorgaande leden voldoet aan de in de Tijdelijke regeling WWV-vervangende uitkering gestelde eisen voor een uitkering van langer dan een jaar, wordt de vervolguitkering met die langere duur verlengd.
5. Voor zover daarvan in de voorgaande leden niet is afgeweken zijn op de vervolguitkering de ten aanzien van een uitkering ingevolge het Besluit aanvulling arbeidsongeschiktheidsuitkering militairen gestelde regels voor zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing.