BWBR0005158
Geldig vanaf 1991-08-01
Artikel 1
Besluit melkrundveehouderijen milieubeheer
1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. melkrundveehouderij: een inrichting die tot een krachtens artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer aangewezen categorie behoort en die uitsluitend of in hoofdzaak is bestemd voor het bedrijfsmatig houden van melkrundvee, voor zover: 1°. niet meer dan 50 mestvarkeneenheden worden gehouden, daarbij niet meegerekend ten hoogste 50 schapen die gedurende de aflamperiode in de inrichting worden gehouden;
2°. niet meer dan 50 geiten worden gehouden;
3°. geen pelsdieren bedrijfsmatig worden gehouden;
4°. aan konijnen niet meer dan 50 voedsters worden gehouden;
5°. niet meer dan 100 stuks melkrundvee worden gehouden;
6°. geen bassins voor de opslag van dunne mest aanwezig zijn met een gezamenlijke oppervlakte van meer dan 750 m², of een gezamenlijke inhoud van meer dan 2500 m3 en voor zover in de bassins geen beluchting, geforceerde vergisting of andere be- of verwerking van dunne mest plaatsvindt, behoudens mengen of roeren;
7°. geen andere nitraathoudende kunstmeststoffen aanwezig zijn dan die van de klasse C als gedefinieerd in richtlijn no 1 van de Commissie Preventie van Rampen door Gevaarlijke Stoffen (CPR), getiteld Nitraathoudende meststoffen, vervoer en opslag, derde druk 1982;
8°. ten hoogste 400 kg bestrijdingsmiddelen in de zin van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 (Stb. 1962, 288) aanwezig zijn;
9°. elektriciteit voor elektrische installaties uitsluitend wordt betrokken van openbare elektriciteitsbedrijven, behoudens indien gebruik wordt gemaakt van noodstroomvoorzieningsinstallaties;
10°. uitsluitend gas, gasolie of lichte stookolie wordt gebruikt als brandstof ten behoeve van ruimteverwarming of warmwatervoorziening;
11°. op het bewaren van butaan of propaan, anders dan in spuitbussen of gasflessen, het Besluit voorzieningen en installaties milieubeheer van toepassing is;
12°. ondergrondse bewaring van gasolie, dieselolie of lichte stookolie: a. niet plaatsvindt in een andere dan een stalen tank, en
b. niet plaatsvindt in een tank die onder een gebouw is gelegen, en
c. niet meer bedraagt dan 20 000 liter;
a. niet plaatsvindt in een andere dan een stalen tank, en
b. niet plaatsvindt in een tank die onder een gebouw is gelegen, en
c. niet meer bedraagt dan 20 000 liter;
13°. geen onder- of bovengrondse tank voor de bewaring van K1- of K2-vloeistoffen aanwezig is;
14°. bovengrondse bewaring van gasolie, dieselolie of lichte stookolie niet meer bedraagt dan 5 000 liter;
15°. geen aflevering van motorbrandstoffen aan derden plaatsvindt;
1°. niet meer dan 50 mestvarkeneenheden worden gehouden, daarbij niet meegerekend ten hoogste 50 schapen die gedurende de aflamperiode in de inrichting worden gehouden;
2°. niet meer dan 50 geiten worden gehouden;
3°. geen pelsdieren bedrijfsmatig worden gehouden;
4°. aan konijnen niet meer dan 50 voedsters worden gehouden;
5°. niet meer dan 100 stuks melkrundvee worden gehouden;
6°. geen bassins voor de opslag van dunne mest aanwezig zijn met een gezamenlijke oppervlakte van meer dan 750 m², of een gezamenlijke inhoud van meer dan 2500 m3 en voor zover in de bassins geen beluchting, geforceerde vergisting of andere be- of verwerking van dunne mest plaatsvindt, behoudens mengen of roeren;
7°. geen andere nitraathoudende kunstmeststoffen aanwezig zijn dan die van de klasse C als gedefinieerd in richtlijn no 1 van de Commissie Preventie van Rampen door Gevaarlijke Stoffen (CPR), getiteld Nitraathoudende meststoffen, vervoer en opslag, derde druk 1982;
8°. ten hoogste 400 kg bestrijdingsmiddelen in de zin van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 (Stb. 1962, 288) aanwezig zijn;
9°. elektriciteit voor elektrische installaties uitsluitend wordt betrokken van openbare elektriciteitsbedrijven, behoudens indien gebruik wordt gemaakt van noodstroomvoorzieningsinstallaties;
10°. uitsluitend gas, gasolie of lichte stookolie wordt gebruikt als brandstof ten behoeve van ruimteverwarming of warmwatervoorziening;
11°. op het bewaren van butaan of propaan, anders dan in spuitbussen of gasflessen, het Besluit voorzieningen en installaties milieubeheer van toepassing is;
12°. ondergrondse bewaring van gasolie, dieselolie of lichte stookolie: a. niet plaatsvindt in een andere dan een stalen tank, en
b. niet plaatsvindt in een tank die onder een gebouw is gelegen, en
c. niet meer bedraagt dan 20 000 liter;
a. niet plaatsvindt in een andere dan een stalen tank, en
b. niet plaatsvindt in een tank die onder een gebouw is gelegen, en
c. niet meer bedraagt dan 20 000 liter;
13°. geen onder- of bovengrondse tank voor de bewaring van K1- of K2-vloeistoffen aanwezig is;
14°. bovengrondse bewaring van gasolie, dieselolie of lichte stookolie niet meer bedraagt dan 5 000 liter;
15°. geen aflevering van motorbrandstoffen aan derden plaatsvindt;
b. bevoegd gezag: het bestuursorgaan dat bevoegd is of zou zijn een vergunning krachtens artikel 8.1 van de Wet milieubeheer voor de melkrundveehouderij te verlenen;
c. dunne mest: mest die verpompbaar is en die bestaat uit faeces of urine van landbouwhuisdieren, al dan niet vermengd met mors-, spoel-, reinigings- of regenwater;
d. bassin: een reservoir bestemd en geschikt voor het bewaren van dunne mest, dat niet geheel of gedeeltelijk is gelegen onder een stal;
e. woning: een gebouw of een deel van een gebouw dat voor bewoning wordt gebruikt of daartoe is bestemd;
f. gevoelig object: een gebouw of deel van een gebouw dat tot het verblijf van personen is bestemd, een gebouw of terrein dat is bestemd voor verblijfs- of dagrecreatie, niet zijnde een kampeerterrein als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onder a, of artikel 8, derde lid, van de Wet op de openluchtrecreatie, een gebouw dat deel uitmaakt van een agrarisch bedrijf en ter beschikking wordt gesteld voor het houden van recreatief nachtverblijf, of een als kamphuis of blokhut aan te merken bouwwerk, dat ter beschikking wordt gesteld voor het houden van recreatief nachtverblijf;
g. voor verzuring gevoelig gebied: een voor verzuring gevoelig gebied in de zin van de Interimwet ammoniak en veehouderij;
h. ammoniakemissie: emissie van potentieel zuur, afkomstig van ammoniak, gemeten in kg per jaar;
i. ammoniakdepositie: depositie van potentieel zuur, afkomstig van ammoniak, gemeten in mol per hectare per jaar;
j. melkrundvee: 1°. melkvee (exclusief bijbehorend vrouwelijk jongvee) dat overwegend wordt gehouden voor de melkproduktie met inbegrip van de dieren die in de mestperiode worden gemolken, tijdens de lactatie worden gemest dan wel zijn drooggezet en worden afgemest;
2°. vrouwelijk vleesvee ouder dan 2 jaar (exclusief bijbehorend vrouwelijk jongvee) dat op een met melkvee vergelijkbare manier wordt gehouden voor de vleesproduktie en het voortbrengen en zogen van kalveren.
1°. melkvee (exclusief bijbehorend vrouwelijk jongvee) dat overwegend wordt gehouden voor de melkproduktie met inbegrip van de dieren die in de mestperiode worden gemolken, tijdens de lactatie worden gemest dan wel zijn drooggezet en worden afgemest;
2°. vrouwelijk vleesvee ouder dan 2 jaar (exclusief bijbehorend vrouwelijk jongvee) dat op een met melkvee vergelijkbare manier wordt gehouden voor de vleesproduktie en het voortbrengen en zogen van kalveren.
2. Dit besluit is niet van toepassing op een melkrundveehouderij die is opgericht:
a. na de datum van inwerkingtreding van dit besluit en die is gelegen op minder dan 50 m afstand van een woning van derden of een gevoelig object;
b. vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit en: 1°. die is gelegen op minder dan 25 m afstand van een woning van derden of een gevoelig object;
2°. waarin meer dan 50 stuks melkrundvee worden gehouden en die is gelegen op minder dan 50 m afstand van een woning van derden of een gevoelig object.
1°. die is gelegen op minder dan 25 m afstand van een woning van derden of een gevoelig object;
2°. waarin meer dan 50 stuks melkrundvee worden gehouden en die is gelegen op minder dan 50 m afstand van een woning van derden of een gevoelig object.
3. Dit besluit is eveneens niet van toepassing op een melkrundveehouderij waar dunne mest wordt opgeslagen in een bassin dat tot stand is gebracht na 1 juni 1987 en dat is gelegen:
a. op minder dan 50 m van een woning van derden, die behoort tot een krachtens artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer aangewezen inrichting voor het kweken, fokken, mesten, houden, verhandelen, verladen of wegen van dieren;
b. op minder dan 100 m afstand van een gevoelig object of een woning van derden, niet zijnde een woning als bedoeld onder a.
4. Indien de gezamenlijke oppervlakte van de in de inrichting aanwezige bassins minder bedraagt dan 350 m², bedragen de in het derde lid bedoelde afstanden respectievelijk 25 en 50 m.
5. Dit besluit is voorts niet van toepassing op een melkrundveehouderij die is opgericht:
a. op of na 1 november 1997 en die: 1°. op het dichtstbijgelegen voor verzuring gevoelige gebied een ammoniakdepositie van meer dan 15 mol veroorzaakt,
2°. ligt in een gemeente, die is gelegen in een gebied als aangegeven in de bij de Wet verplaatsing mestproduktie behorende bijlage, of
3°. ligt in een gemeente waarin een ammoniakreductieplan geldt, als bedoeld in artikel 8 van de Interimwet ammoniak en veehouderij;
1°. op het dichtstbijgelegen voor verzuring gevoelige gebied een ammoniakdepositie van meer dan 15 mol veroorzaakt,
2°. ligt in een gemeente, die is gelegen in een gebied als aangegeven in de bij de Wet verplaatsing mestproduktie behorende bijlage, of
3°. ligt in een gemeente waarin een ammoniakreductieplan geldt, als bedoeld in artikel 8 van de Interimwet ammoniak en veehouderij;
b. voor 1 november 1997 en die op het dichtstbijgelegen voor verzuring gevoelige gebied een ammoniakdepositie veroorzaakt van: 1°. meer dan 15 mol,
2°. meer dan de hoogste, door degene die de melkrundveehouderij drijft, aan te tonen waarde van de ammoniakdepositie die de melkrundveehouderij voor 1 november 1997 heeft veroorzaakt en overeenkomstig dit besluit, zoals dit voor die datum luidde, mocht veroorzaken, indien die waarde hoger is dan 15 mol,
3°. meer dan de hoogste waarde die de melkrundveehouderij mocht veroorzaken op grond van een vergunning krachtens de Hinderwet of artikel 8.1 van de Wet milieubeheer die voor de inrichting gold onmiddellijk voorafgaand aan het meest recente tijdstip waarop dit besluit op de inrichting van toepassing werd, indien die waarde hoger is dan 15 mol en de onder 2° bedoelde waarde, of
4°. meer dan de hoogste, door degene die de melkrundveehouderij drijft, aan te tonen waarde van de ammoniakdepositie, die de melkrundveehouderij voor 1 november 1997 heeft veroorzaakt en overeenkomstig dit besluit, zoals dit voor die datum luidde, mocht veroorzaken, indien de melkrundveehouderij ligt in een gemeente die is gelegen in een gebied als aangegeven in de bij de Wet verplaatsing mestproduktie behorende bijlage;
1°. meer dan 15 mol,
2°. meer dan de hoogste, door degene die de melkrundveehouderij drijft, aan te tonen waarde van de ammoniakdepositie die de melkrundveehouderij voor 1 november 1997 heeft veroorzaakt en overeenkomstig dit besluit, zoals dit voor die datum luidde, mocht veroorzaken, indien die waarde hoger is dan 15 mol,
3°. meer dan de hoogste waarde die de melkrundveehouderij mocht veroorzaken op grond van een vergunning krachtens de Hinderwet of artikel 8.1 van de Wet milieubeheer die voor de inrichting gold onmiddellijk voorafgaand aan het meest recente tijdstip waarop dit besluit op de inrichting van toepassing werd, indien die waarde hoger is dan 15 mol en de onder 2° bedoelde waarde, of
4°. meer dan de hoogste, door degene die de melkrundveehouderij drijft, aan te tonen waarde van de ammoniakdepositie, die de melkrundveehouderij voor 1 november 1997 heeft veroorzaakt en overeenkomstig dit besluit, zoals dit voor die datum luidde, mocht veroorzaken, indien de melkrundveehouderij ligt in een gemeente die is gelegen in een gebied als aangegeven in de bij de Wet verplaatsing mestproduktie behorende bijlage;
c. voor 1 november 1997 en die een hogere ammoniakemissie veroorzaakt dan de hoogste, door degene die de melkrundveehouderij drijft, aan te tonen waarde van de ammoniakemissie die de melkrundveehouderij voor 1 november 1997 heeft veroorzaakt en overeenkomstig dit besluit, zoals dit voor die datum luidde, mocht veroorzaken, indien de melkrundveehouderij ligt in een gemeente waarin een ammoniakreductieplan geldt als bedoeld in artikel 8 van de Interimwet ammoniak en veehouderij.
6. Het vijfde lid is op een melkrundveehouderij niet van toepassing, indien de hoogste, door degene die de melkrundveehouderij drijft, aan te tonen waarde van de ammoniakemissie, onderscheidenlijk van de ammoniakdepositie op het dichtstbijgelegen voor verzuring gevoelige gebied, die de melkrundveehouderij in de periode vanaf 1 november 1997 tot 1 november 1998 heeft veroorzaakt, hoger is dan de in het vijfde lid aangegeven waarde, indien:
a. voor de melkrundveehouderij ten behoeve van de oprichting dan wel een verandering of een verandering van de werking van de inrichting voor 1 november 1997 een bouwvergunning op grond van de Woningwet is verleend, dan wel, indien het een verandering of een verandering van de werking van de inrichting betreft, ten behoeve waarvan geen bouwvergunning is vereist, met het oog op die verandering voor 1 november 1997 investeringsverplichtingen zijn aangegaan ten bedrage van ten minste f 10 000,–,
b. de oprichting, verandering of verandering van de werking voor 1 november 1998 heeft plaatsgevonden en
c. de waarde die de melkrundveehouderij na de oprichting, verandering of verandering van de werking veroorzaakt, niet hoger is dan de waarde die de melkrundveehouderij voor 1 november 1997 mocht veroorzaken overeenkomstig dit besluit, zoals het voor die datum luidde.
7. In afwijking van het vijfde en zesde lid is dit besluit niet van toepassing op een melkrundveehouderij indien met het oog op de toepassing van artikel 8, vierde lid, van de Interimwet ammoniak en veehouderij de voor een melkrundveehouderij geldende vergunning krachtens <a href="/wet/BWBR0003245/artikel/8.1" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer</a>, op of na 1 november 1997 geheel of gedeeltelijk is ingetrokken of is gewijzigd, en de melkrundveehouderij op het dichtstbijgelegen voor verzuring gevoelige gebied een ammoniakdepositie veroorzaakt van meer dan de hoogste waarde die de melkrundveehouderij na de intrekking of wijziging van de vergunning op grond van de vergunning mocht veroorzaken.
8. De berekening van het aantal mestvarkeneenheden, bedoeld in het eerste lid, onder <em>a</em>, 1°, vindt plaats met toepassing van de door Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer vastgestelde richtlijn Veehouderij en stankhinder, nr. DWL/96057153.
9. Voor het bepalen van de afstanden genoemd in het tweede lid, onder <em>a</em>en <em>b</em>, dient te worden gemeten vanaf het bedrijfsmatig onderdeel van de melkrundveehouderij, dat het dichtst bij een woning van derden of een gevoelig object is gelegen.
10. Bij de toepassing van het vijfde tot en met zevende lid, worden de ammoniakemissie en de ammoniakdepositie bepaald op de wijze waarop de ammoniakemissie en de ammoniakdepositie bij de toepassing van de Interimwet ammoniak en veehouderij worden bepaald.
a. melkrundveehouderij: een inrichting die tot een krachtens artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer aangewezen categorie behoort en die uitsluitend of in hoofdzaak is bestemd voor het bedrijfsmatig houden van melkrundvee, voor zover: 1°. niet meer dan 50 mestvarkeneenheden worden gehouden, daarbij niet meegerekend ten hoogste 50 schapen die gedurende de aflamperiode in de inrichting worden gehouden;
2°. niet meer dan 50 geiten worden gehouden;
3°. geen pelsdieren bedrijfsmatig worden gehouden;
4°. aan konijnen niet meer dan 50 voedsters worden gehouden;
5°. niet meer dan 100 stuks melkrundvee worden gehouden;
6°. geen bassins voor de opslag van dunne mest aanwezig zijn met een gezamenlijke oppervlakte van meer dan 750 m², of een gezamenlijke inhoud van meer dan 2500 m3 en voor zover in de bassins geen beluchting, geforceerde vergisting of andere be- of verwerking van dunne mest plaatsvindt, behoudens mengen of roeren;
7°. geen andere nitraathoudende kunstmeststoffen aanwezig zijn dan die van de klasse C als gedefinieerd in richtlijn no 1 van de Commissie Preventie van Rampen door Gevaarlijke Stoffen (CPR), getiteld Nitraathoudende meststoffen, vervoer en opslag, derde druk 1982;
8°. ten hoogste 400 kg bestrijdingsmiddelen in de zin van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 (Stb. 1962, 288) aanwezig zijn;
9°. elektriciteit voor elektrische installaties uitsluitend wordt betrokken van openbare elektriciteitsbedrijven, behoudens indien gebruik wordt gemaakt van noodstroomvoorzieningsinstallaties;
10°. uitsluitend gas, gasolie of lichte stookolie wordt gebruikt als brandstof ten behoeve van ruimteverwarming of warmwatervoorziening;
11°. op het bewaren van butaan of propaan, anders dan in spuitbussen of gasflessen, het Besluit voorzieningen en installaties milieubeheer van toepassing is;
12°. ondergrondse bewaring van gasolie, dieselolie of lichte stookolie: a. niet plaatsvindt in een andere dan een stalen tank, en
b. niet plaatsvindt in een tank die onder een gebouw is gelegen, en
c. niet meer bedraagt dan 20 000 liter;
a. niet plaatsvindt in een andere dan een stalen tank, en
b. niet plaatsvindt in een tank die onder een gebouw is gelegen, en
c. niet meer bedraagt dan 20 000 liter;
13°. geen onder- of bovengrondse tank voor de bewaring van K1- of K2-vloeistoffen aanwezig is;
14°. bovengrondse bewaring van gasolie, dieselolie of lichte stookolie niet meer bedraagt dan 5 000 liter;
15°. geen aflevering van motorbrandstoffen aan derden plaatsvindt;
1°. niet meer dan 50 mestvarkeneenheden worden gehouden, daarbij niet meegerekend ten hoogste 50 schapen die gedurende de aflamperiode in de inrichting worden gehouden;
2°. niet meer dan 50 geiten worden gehouden;
3°. geen pelsdieren bedrijfsmatig worden gehouden;
4°. aan konijnen niet meer dan 50 voedsters worden gehouden;
5°. niet meer dan 100 stuks melkrundvee worden gehouden;
6°. geen bassins voor de opslag van dunne mest aanwezig zijn met een gezamenlijke oppervlakte van meer dan 750 m², of een gezamenlijke inhoud van meer dan 2500 m3 en voor zover in de bassins geen beluchting, geforceerde vergisting of andere be- of verwerking van dunne mest plaatsvindt, behoudens mengen of roeren;
7°. geen andere nitraathoudende kunstmeststoffen aanwezig zijn dan die van de klasse C als gedefinieerd in richtlijn no 1 van de Commissie Preventie van Rampen door Gevaarlijke Stoffen (CPR), getiteld Nitraathoudende meststoffen, vervoer en opslag, derde druk 1982;
8°. ten hoogste 400 kg bestrijdingsmiddelen in de zin van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 (Stb. 1962, 288) aanwezig zijn;
9°. elektriciteit voor elektrische installaties uitsluitend wordt betrokken van openbare elektriciteitsbedrijven, behoudens indien gebruik wordt gemaakt van noodstroomvoorzieningsinstallaties;
10°. uitsluitend gas, gasolie of lichte stookolie wordt gebruikt als brandstof ten behoeve van ruimteverwarming of warmwatervoorziening;
11°. op het bewaren van butaan of propaan, anders dan in spuitbussen of gasflessen, het Besluit voorzieningen en installaties milieubeheer van toepassing is;
12°. ondergrondse bewaring van gasolie, dieselolie of lichte stookolie: a. niet plaatsvindt in een andere dan een stalen tank, en
b. niet plaatsvindt in een tank die onder een gebouw is gelegen, en
c. niet meer bedraagt dan 20 000 liter;
a. niet plaatsvindt in een andere dan een stalen tank, en
b. niet plaatsvindt in een tank die onder een gebouw is gelegen, en
c. niet meer bedraagt dan 20 000 liter;
13°. geen onder- of bovengrondse tank voor de bewaring van K1- of K2-vloeistoffen aanwezig is;
14°. bovengrondse bewaring van gasolie, dieselolie of lichte stookolie niet meer bedraagt dan 5 000 liter;
15°. geen aflevering van motorbrandstoffen aan derden plaatsvindt;
b. bevoegd gezag: het bestuursorgaan dat bevoegd is of zou zijn een vergunning krachtens artikel 8.1 van de Wet milieubeheer voor de melkrundveehouderij te verlenen;
c. dunne mest: mest die verpompbaar is en die bestaat uit faeces of urine van landbouwhuisdieren, al dan niet vermengd met mors-, spoel-, reinigings- of regenwater;
d. bassin: een reservoir bestemd en geschikt voor het bewaren van dunne mest, dat niet geheel of gedeeltelijk is gelegen onder een stal;
e. woning: een gebouw of een deel van een gebouw dat voor bewoning wordt gebruikt of daartoe is bestemd;
f. gevoelig object: een gebouw of deel van een gebouw dat tot het verblijf van personen is bestemd, een gebouw of terrein dat is bestemd voor verblijfs- of dagrecreatie, niet zijnde een kampeerterrein als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onder a, of artikel 8, derde lid, van de Wet op de openluchtrecreatie, een gebouw dat deel uitmaakt van een agrarisch bedrijf en ter beschikking wordt gesteld voor het houden van recreatief nachtverblijf, of een als kamphuis of blokhut aan te merken bouwwerk, dat ter beschikking wordt gesteld voor het houden van recreatief nachtverblijf;
g. voor verzuring gevoelig gebied: een voor verzuring gevoelig gebied in de zin van de Interimwet ammoniak en veehouderij;
h. ammoniakemissie: emissie van potentieel zuur, afkomstig van ammoniak, gemeten in kg per jaar;
i. ammoniakdepositie: depositie van potentieel zuur, afkomstig van ammoniak, gemeten in mol per hectare per jaar;
j. melkrundvee: 1°. melkvee (exclusief bijbehorend vrouwelijk jongvee) dat overwegend wordt gehouden voor de melkproduktie met inbegrip van de dieren die in de mestperiode worden gemolken, tijdens de lactatie worden gemest dan wel zijn drooggezet en worden afgemest;
2°. vrouwelijk vleesvee ouder dan 2 jaar (exclusief bijbehorend vrouwelijk jongvee) dat op een met melkvee vergelijkbare manier wordt gehouden voor de vleesproduktie en het voortbrengen en zogen van kalveren.
1°. melkvee (exclusief bijbehorend vrouwelijk jongvee) dat overwegend wordt gehouden voor de melkproduktie met inbegrip van de dieren die in de mestperiode worden gemolken, tijdens de lactatie worden gemest dan wel zijn drooggezet en worden afgemest;
2°. vrouwelijk vleesvee ouder dan 2 jaar (exclusief bijbehorend vrouwelijk jongvee) dat op een met melkvee vergelijkbare manier wordt gehouden voor de vleesproduktie en het voortbrengen en zogen van kalveren.
2. Dit besluit is niet van toepassing op een melkrundveehouderij die is opgericht:
a. na de datum van inwerkingtreding van dit besluit en die is gelegen op minder dan 50 m afstand van een woning van derden of een gevoelig object;
b. vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit en: 1°. die is gelegen op minder dan 25 m afstand van een woning van derden of een gevoelig object;
2°. waarin meer dan 50 stuks melkrundvee worden gehouden en die is gelegen op minder dan 50 m afstand van een woning van derden of een gevoelig object.
1°. die is gelegen op minder dan 25 m afstand van een woning van derden of een gevoelig object;
2°. waarin meer dan 50 stuks melkrundvee worden gehouden en die is gelegen op minder dan 50 m afstand van een woning van derden of een gevoelig object.
3. Dit besluit is eveneens niet van toepassing op een melkrundveehouderij waar dunne mest wordt opgeslagen in een bassin dat tot stand is gebracht na 1 juni 1987 en dat is gelegen:
a. op minder dan 50 m van een woning van derden, die behoort tot een krachtens artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer aangewezen inrichting voor het kweken, fokken, mesten, houden, verhandelen, verladen of wegen van dieren;
b. op minder dan 100 m afstand van een gevoelig object of een woning van derden, niet zijnde een woning als bedoeld onder a.
4. Indien de gezamenlijke oppervlakte van de in de inrichting aanwezige bassins minder bedraagt dan 350 m², bedragen de in het derde lid bedoelde afstanden respectievelijk 25 en 50 m.
5. Dit besluit is voorts niet van toepassing op een melkrundveehouderij die is opgericht:
a. op of na 1 november 1997 en die: 1°. op het dichtstbijgelegen voor verzuring gevoelige gebied een ammoniakdepositie van meer dan 15 mol veroorzaakt,
2°. ligt in een gemeente, die is gelegen in een gebied als aangegeven in de bij de Wet verplaatsing mestproduktie behorende bijlage, of
3°. ligt in een gemeente waarin een ammoniakreductieplan geldt, als bedoeld in artikel 8 van de Interimwet ammoniak en veehouderij;
1°. op het dichtstbijgelegen voor verzuring gevoelige gebied een ammoniakdepositie van meer dan 15 mol veroorzaakt,
2°. ligt in een gemeente, die is gelegen in een gebied als aangegeven in de bij de Wet verplaatsing mestproduktie behorende bijlage, of
3°. ligt in een gemeente waarin een ammoniakreductieplan geldt, als bedoeld in artikel 8 van de Interimwet ammoniak en veehouderij;
b. voor 1 november 1997 en die op het dichtstbijgelegen voor verzuring gevoelige gebied een ammoniakdepositie veroorzaakt van: 1°. meer dan 15 mol,
2°. meer dan de hoogste, door degene die de melkrundveehouderij drijft, aan te tonen waarde van de ammoniakdepositie die de melkrundveehouderij voor 1 november 1997 heeft veroorzaakt en overeenkomstig dit besluit, zoals dit voor die datum luidde, mocht veroorzaken, indien die waarde hoger is dan 15 mol,
3°. meer dan de hoogste waarde die de melkrundveehouderij mocht veroorzaken op grond van een vergunning krachtens de Hinderwet of artikel 8.1 van de Wet milieubeheer die voor de inrichting gold onmiddellijk voorafgaand aan het meest recente tijdstip waarop dit besluit op de inrichting van toepassing werd, indien die waarde hoger is dan 15 mol en de onder 2° bedoelde waarde, of
4°. meer dan de hoogste, door degene die de melkrundveehouderij drijft, aan te tonen waarde van de ammoniakdepositie, die de melkrundveehouderij voor 1 november 1997 heeft veroorzaakt en overeenkomstig dit besluit, zoals dit voor die datum luidde, mocht veroorzaken, indien de melkrundveehouderij ligt in een gemeente die is gelegen in een gebied als aangegeven in de bij de Wet verplaatsing mestproduktie behorende bijlage;
1°. meer dan 15 mol,
2°. meer dan de hoogste, door degene die de melkrundveehouderij drijft, aan te tonen waarde van de ammoniakdepositie die de melkrundveehouderij voor 1 november 1997 heeft veroorzaakt en overeenkomstig dit besluit, zoals dit voor die datum luidde, mocht veroorzaken, indien die waarde hoger is dan 15 mol,
3°. meer dan de hoogste waarde die de melkrundveehouderij mocht veroorzaken op grond van een vergunning krachtens de Hinderwet of artikel 8.1 van de Wet milieubeheer die voor de inrichting gold onmiddellijk voorafgaand aan het meest recente tijdstip waarop dit besluit op de inrichting van toepassing werd, indien die waarde hoger is dan 15 mol en de onder 2° bedoelde waarde, of
4°. meer dan de hoogste, door degene die de melkrundveehouderij drijft, aan te tonen waarde van de ammoniakdepositie, die de melkrundveehouderij voor 1 november 1997 heeft veroorzaakt en overeenkomstig dit besluit, zoals dit voor die datum luidde, mocht veroorzaken, indien de melkrundveehouderij ligt in een gemeente die is gelegen in een gebied als aangegeven in de bij de Wet verplaatsing mestproduktie behorende bijlage;
c. voor 1 november 1997 en die een hogere ammoniakemissie veroorzaakt dan de hoogste, door degene die de melkrundveehouderij drijft, aan te tonen waarde van de ammoniakemissie die de melkrundveehouderij voor 1 november 1997 heeft veroorzaakt en overeenkomstig dit besluit, zoals dit voor die datum luidde, mocht veroorzaken, indien de melkrundveehouderij ligt in een gemeente waarin een ammoniakreductieplan geldt als bedoeld in artikel 8 van de Interimwet ammoniak en veehouderij.
6. Het vijfde lid is op een melkrundveehouderij niet van toepassing, indien de hoogste, door degene die de melkrundveehouderij drijft, aan te tonen waarde van de ammoniakemissie, onderscheidenlijk van de ammoniakdepositie op het dichtstbijgelegen voor verzuring gevoelige gebied, die de melkrundveehouderij in de periode vanaf 1 november 1997 tot 1 november 1998 heeft veroorzaakt, hoger is dan de in het vijfde lid aangegeven waarde, indien:
a. voor de melkrundveehouderij ten behoeve van de oprichting dan wel een verandering of een verandering van de werking van de inrichting voor 1 november 1997 een bouwvergunning op grond van de Woningwet is verleend, dan wel, indien het een verandering of een verandering van de werking van de inrichting betreft, ten behoeve waarvan geen bouwvergunning is vereist, met het oog op die verandering voor 1 november 1997 investeringsverplichtingen zijn aangegaan ten bedrage van ten minste f 10 000,–,
b. de oprichting, verandering of verandering van de werking voor 1 november 1998 heeft plaatsgevonden en
c. de waarde die de melkrundveehouderij na de oprichting, verandering of verandering van de werking veroorzaakt, niet hoger is dan de waarde die de melkrundveehouderij voor 1 november 1997 mocht veroorzaken overeenkomstig dit besluit, zoals het voor die datum luidde.
7. In afwijking van het vijfde en zesde lid is dit besluit niet van toepassing op een melkrundveehouderij indien met het oog op de toepassing van artikel 8, vierde lid, van de Interimwet ammoniak en veehouderij de voor een melkrundveehouderij geldende vergunning krachtens <a href="/wet/BWBR0003245/artikel/8.1" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer</a>, op of na 1 november 1997 geheel of gedeeltelijk is ingetrokken of is gewijzigd, en de melkrundveehouderij op het dichtstbijgelegen voor verzuring gevoelige gebied een ammoniakdepositie veroorzaakt van meer dan de hoogste waarde die de melkrundveehouderij na de intrekking of wijziging van de vergunning op grond van de vergunning mocht veroorzaken.
8. De berekening van het aantal mestvarkeneenheden, bedoeld in het eerste lid, onder <em>a</em>, 1°, vindt plaats met toepassing van de door Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer vastgestelde richtlijn Veehouderij en stankhinder, nr. DWL/96057153.
9. Voor het bepalen van de afstanden genoemd in het tweede lid, onder <em>a</em>en <em>b</em>, dient te worden gemeten vanaf het bedrijfsmatig onderdeel van de melkrundveehouderij, dat het dichtst bij een woning van derden of een gevoelig object is gelegen.
10. Bij de toepassing van het vijfde tot en met zevende lid, worden de ammoniakemissie en de ammoniakdepositie bepaald op de wijze waarop de ammoniakemissie en de ammoniakdepositie bij de toepassing van de Interimwet ammoniak en veehouderij worden bepaald.