BWBR0005108
Geldig vanaf 1992-01-01
Artikel 131
Waterschapswet
Indien bezwaar wordt gemaakt zowel tegen een belastingaanslag in de heffing ter zake van een gebouwde of ongebouwde onroerende zaak als tegen een op de voet van <a href="/wet/BWBR0007119" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken</a>gegeven beschikking welke ten grondslag heeft gelegen aan die belastingaanslag, vangt, ingeval feiten en omstandigheden in het geding zijn die van belang zijn zowel voor de heffing ter zake van een gebouwde of ongebouwde onroerende zaak als voor de vaststelling van de waarde op de voet van genoemd <a href="/wet/BWBR0007119" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">hoofdstuk IV</a>, de termijn waarbinnen de in artikel 123, derde lid, onderdeel b,bedoelde ambtenaar van het waterschap uitspraak doet op het eerstbedoelde bezwaar aan, in afwijking van <a href="/wet/BWBR0005537/artikel/7:10" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 7:10, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht</a>, op het tijdstip waarop de op de voet van genoemd <a href="/wet/BWBR0007119" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">hoofdstuk IV</a>gegeven beschikking onherroepelijk is komen vast te staan.