BWBR0005094
Geldig vanaf 1992-01-01
Artikel 7
Warenwetbesluit Speelgoed
1. De in artikel 4, tweede lid, onderdeel b, bedoelde verklaring kan uitsluitend worden afgegeven door:
a. de door Onze Minister aangewezen instanties;
b. de door de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staten van de EEG dan wel die van de overige staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, daartoe aangewezen instanties.
2. Voor een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid, onder a, komen slechts in aanmerking instanties die voldoen aan de in bijlage 3neergelegde voorwaarden. Onze Minister kan nadere voorwaarden stellen.
3. Indien Onze Minister constateert dat een door hem aangewezen instantie niet meer voldoet aan de in bijlage 3neergelegde voorwaarden, trekt hij de aanwijzing in.
4. De in het eerste lid, onder a, bedoelde aanwijzing, alsmede de intrekking of wijziging daarvan worden bekend gemaakt in de Staatscourant.
5. De verklaring, bedoeld in het eerste lid, kan door de in dat lid onder abedoelde instanties uitsluitend worden afgegeven aan de fabrikant, of aan de binnen het grondgebied waarop het EEG-verdrag van toepassing is dan wel het grondgebied van een van de staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, gevestigde gemachtigde van de fabrikant.
6. Onze Minister stelt nadere regelen omtrent het indienen van een aanvraag als bedoeld in het vierde lid, waaronder de daarbij over te leggen documenten, en de behandeling daarvan door de in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde instanties, alsmede omtrent de vorm van de door deze instanties af te geven verklaringen.
a. de door Onze Minister aangewezen instanties;
b. de door de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staten van de EEG dan wel die van de overige staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, daartoe aangewezen instanties.
2. Voor een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid, onder a, komen slechts in aanmerking instanties die voldoen aan de in bijlage 3neergelegde voorwaarden. Onze Minister kan nadere voorwaarden stellen.
3. Indien Onze Minister constateert dat een door hem aangewezen instantie niet meer voldoet aan de in bijlage 3neergelegde voorwaarden, trekt hij de aanwijzing in.
4. De in het eerste lid, onder a, bedoelde aanwijzing, alsmede de intrekking of wijziging daarvan worden bekend gemaakt in de Staatscourant.
5. De verklaring, bedoeld in het eerste lid, kan door de in dat lid onder abedoelde instanties uitsluitend worden afgegeven aan de fabrikant, of aan de binnen het grondgebied waarop het EEG-verdrag van toepassing is dan wel het grondgebied van een van de staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, gevestigde gemachtigde van de fabrikant.
6. Onze Minister stelt nadere regelen omtrent het indienen van een aanvraag als bedoeld in het vierde lid, waaronder de daarbij over te leggen documenten, en de behandeling daarvan door de in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde instanties, alsmede omtrent de vorm van de door deze instanties af te geven verklaringen.