BWBR0004972
Geldig vanaf 1991-01-16
Artikel 1
Oostenrijkse uitvoeringsvoorschriften belastingverdrag Nederland-Oostenrijk
Aan het op 1 september 1970 tussen Nederland en Oostenrijk gesloten Verdrag tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen (Trb. 1970, nr. 169), zoals dit is gewijzigd bij het op 18 december 1989 te 's-Gravenhage gesloten Protocol tot wijziging van het genoemde Verdrag (Trb. 1990, nr. 13) met inachtneming van de bij brieven van 30 november 1990 en 4 december 1990 tussen Nederland en Oostenrijk getroffen ministeriële regeling (hierna: het Verdrag), kunnen inwoners van Nederland onder meer de volgende aanspraken ontlenen, geregeld in de hieronder tussen haakjes vermelde artikelen van het Verdrag:
a. vermindering tot 15 percent van de Oostenrijkse belasting op dividenden, betaald door een lichaam dat inwoner van Oostenrijk is ( artikel 10, tweede lid);
b. vermindering tot 5 percent van Oostenrijkse belasting op dividenden, indien deze dividenden worden genoten door een Nederlands lichaam dat onmiddellijk of middellijk ten minste 25 percent bezit van het kapitaal van het Oostenrijkse lichaam dat de dividenden uitkeert ( artikel 10, derde lid);
c. vrijstelling van Oostenrijkse belasting op interest (daaronder begrepen uitdelingen op winstdelende obligaties), afkomstig uit Oostenrijk ( artikel 11);
d. vrijstelling van Oostenrijkse belasting op royalty's, afkomstig uit Oostenrijk ( artikel 13, eerste lid), behalve in het geval dat de genieter van de royalty's middellijk of onmiddellijk voor meer dan 50 percent deelneemt in het kapitaal van het Oostenrijkse lichaam dat de royalty's betaalt, in welk geval de Oostenrijkse belasting de helft van het wettelijke belastingtarief, doch in ieder geval 10 percent van het brutobedrag van de royalty's niet mag overschrijden ( artikel 13, tweede lid).
De in de onderdelen a tot en met d van dit artikel bedoelde verminderingen of vrijstellingen zijn niet van toepassing, indien de genieter van de dividenden, de interest of de royalty's in Oostenrijk een vaste inrichting heeft en het aandelenbezit uit hoofde waarvan de dividenden worden betaald, de vordering uit hoofde waarvan de interest verschuldigd is of het recht of de zaak uit hoofde waarvan de royalty's verschuldigd zijn, tot het bedrijfsvermogen van die vaste inrichting behoort ( artikel 10, zevende lid, respectievelijk artikel 11, derde lid, en artikel 13, vierde lid).
a. vermindering tot 15 percent van de Oostenrijkse belasting op dividenden, betaald door een lichaam dat inwoner van Oostenrijk is ( artikel 10, tweede lid);
b. vermindering tot 5 percent van Oostenrijkse belasting op dividenden, indien deze dividenden worden genoten door een Nederlands lichaam dat onmiddellijk of middellijk ten minste 25 percent bezit van het kapitaal van het Oostenrijkse lichaam dat de dividenden uitkeert ( artikel 10, derde lid);
c. vrijstelling van Oostenrijkse belasting op interest (daaronder begrepen uitdelingen op winstdelende obligaties), afkomstig uit Oostenrijk ( artikel 11);
d. vrijstelling van Oostenrijkse belasting op royalty's, afkomstig uit Oostenrijk ( artikel 13, eerste lid), behalve in het geval dat de genieter van de royalty's middellijk of onmiddellijk voor meer dan 50 percent deelneemt in het kapitaal van het Oostenrijkse lichaam dat de royalty's betaalt, in welk geval de Oostenrijkse belasting de helft van het wettelijke belastingtarief, doch in ieder geval 10 percent van het brutobedrag van de royalty's niet mag overschrijden ( artikel 13, tweede lid).
De in de onderdelen a tot en met d van dit artikel bedoelde verminderingen of vrijstellingen zijn niet van toepassing, indien de genieter van de dividenden, de interest of de royalty's in Oostenrijk een vaste inrichting heeft en het aandelenbezit uit hoofde waarvan de dividenden worden betaald, de vordering uit hoofde waarvan de interest verschuldigd is of het recht of de zaak uit hoofde waarvan de royalty's verschuldigd zijn, tot het bedrijfsvermogen van die vaste inrichting behoort ( artikel 10, zevende lid, respectievelijk artikel 11, derde lid, en artikel 13, vierde lid).