1. De beloning van het personeelslid, dat in verband met het bepaalde in
artikel 6 van de Wet N.V. RCCeen functie bij de N.V. RCC vervult, vindt plaats volgens de bij die functie behorende salariëring, welke geldt krachts de arbeidsvoorwaardenregeling.
2. Op het personeelslid, dat bij de N.V. RCC binnen een termijn van 5 jaar na de overgangsdatum een netto-beloning ontvangt die minder bedraagt dan de netto-bezoldiging welke hij in dienst van het Rijks Computercentrum genoot, is een garantieregeling van toepassing die is neergelegd in de volgende leden.
3. Het personeelslid ontvangt van de N.V. RCC als garantietoelage het naar een bruto bedrag omgerekende verschil tussen de netto-bezoldiging en de netto-beloning, berekend op basis van een arbeidstijd van 38 uur per week
4. Onder netto-bezoldiging als bedoeld in het tweede lid wordt verstaan de op de dag voorafgaande aan de overgangsdatum genoten tot een jaarbedrag herleide som van
het salaris als bedoeld in artikel 5 van het BBRA 1984 alsmede.
de toelagen krachtens de artikelen 13, 16, 18, 18b en 19 van het BBRA 1984;
de vakantie-uitkering krachtens artikel 21 van het BBRA 1984 daarin begrepen de herzieningen die als gevolg van bezoldigingsmaatregelen met een algemeen karakter optreden, onder aftrek van;
de voor hem geldende inhouding krachtens de Inhoudingswet overheidspersoneel 1982 (1981 Stb. 759);
het pensioenbijdrageverhaal krachtens het Verhaalsbesluit Algemene burgerlijke pensioenwet (1987, Stb. 10);
de door hem verschuldigde loonbelasting volgens de Wet op de loonbelasting 1964 (1964, Stb. 521);
de door hem verschuldigde premies volgens de Algemene Ouderdomswet (1956, Stb. 281) en de Algemene Weduwen- en Wezenwet (1959, Stb. 139); zoals voor hem in het tweede lid bedoelde tijdvak zouden hebben gegolden alsmede, voor zover het personeelslid als werknemer van de N.V. RCC verplicht verzekerd zal zijn ingevolge de Ziekenfondswet (1964, Stb. 392), een bedrag ten behoeve van de kosten van verzekering tegen ziektekosten. Dit bedrag wordt voor elk gezinslid, waarvoor het personeelslid op de dag voorafgaande aan de overgangsdatum premie afdraagt, gesteld op het bedrag van de uitkering ingevolge de Interimregeling ziektekosten ambtenaren 1982 (1982, Stb. 173) voor personen die zijn verzekerd volgens de Wet op de Toegang tot Ziektekostenverzekeringen (1986, Stb. 123).
5. Onder netto-beloning als bedoeld in het derde lid wordt verstaan de door het personeelslid, gedurende het in het tweede lid bedoelde tijdvak genoten en tot een jaarbedrag herleide som van:
het salaris volgens de arbeidsvoorwaardenregeling;
de overige voor het personeelslid uit hoofde van zijn dienstbetrekking bij de N.V. RCC geldende toeslagen volgens de arbeidsvoorwaardenregeling, met uitzondering van de toeslagen voor overwerk en voor onregelmatige diensten;
de vakantie-uitkering volgens de arbeidsvoorwaardenregeling; onder aftrek van:
de door hem verschuldigde bijdrage in de kosten van de pensioenvoorziening;
de door hem verschuldigde bijdrage in de kosten van een voorziening ten behoeve van een vrijwillige vervroegde uittreding uit het arbeidsproces;
de door hem verschuldigde loonbelasting volgens de Wet op de loonbelasting 1964;
de door hem verschuldigde premies ingevolge de Algemene Ouderdomswet, de Algemene Weduwen- en Wezenwet, de Ziektewet, de Werkloosheidswet, de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering en de Ziekenfondswet.
6. In geval van ziekte van het personeelslid treedt de netto-uitkering wegens ziekte waarop hij aanspraak heeft op grond van
artikel 42 van het ARARresp, artikel 32e van het AOB in de plaats van de netto-beloning.
Indien het personeelslid een uitkering geniet op grond van de Ziektewet, de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet of de
Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering, wordt voor de berekening van de garantietoelage doorbetaling van de netto-beloning geacht plaats te hebben.
7. Indien en voor zover in het zesde jaar na de overgangsdatum toepassing van de garantieregeling voor een personeelslid zou leiden tot een vermindering van netto-bezoldiging naar netto-beloning met ten minste 10%, ontvangt dat personeelslid tot uiterlijk het einde van het zesde jaar de helft van de garantietoelage.
8. Voor de berekening van de verschuldigde loonbelasting en de verschuldigde premies volgens de
Algemene Ouderdomswet/ Algemene Weduwen- en Wezenwet blijft een eventuele beschikking als bedoeld in artikel 30 van de Wet op de loonbelasting alsook een eventuele voetoverheveling als bedoeld in artikel 30a van die wet, buiten toepassing.
9. Indien blijkt, dat de bepalingen in dit artikel aanpassing behoeven in verband met de belastingherziening (de zgn. "Oort"-maatregelen), vindt hierover vooraf overleg plaats met de vakorganisaties.
10. Onverlet het bepaalde in het zevende lid zal een fonds worden ingesteld, dat primair bedoeld is voor die situaties na het vijfde jaar na de overgangsdatum waarin de netto-beloning lager ligt dan de netto-bezoldiging. Indien en voor zover het fonds dan nog financiële ruimte biedt, kan deze worden aangewend voor de oplossing van andere sociale knelpunten die voortvloeien uit de verzelfstandiging. Over omvang en beheer van het fonds wordt vooraf overleg gevoerd met de vakorganisaties.
11. In geldt een schaalgarantie gedurende een periode van vijl jaren, getekend vanaf de datum van verzelfstandiging. Daarbij wordt uitgegaan van het maximum van de
BBRAschalen, zoals dat geldt op het moment van verzelfstandiging. Een nadere uitwerking van deze garantie zal worden gegeven in het overleg over de nieuwe arbeidsvoorwaarden, in relatie tot het niveau van de beloning bij de N.V. RCC, het beoordelingssysteem, zoals dat zal gelden bij de N.V. RCC en het in overleg met de vakorganisaties te ontwikkelen loopbaanbegeleidingsprogramma voor de bedoelde categorie personeelsleden.