BWBR0004838
Geldig vanaf 2002-09-01
Artikel 3
Overdrachtsbesluit Wet toezicht beleggingsinstellingen
Aan de overdracht van de taken en bevoegdheden als bedoeld in artikel 2worden de volgende beperkingen gesteld en voorschriften verbonden:
1. schriftelijke afspraken tussen de Autoriteit Financiële Markten of de Bank enerzijds en andere toezichthoudende autoriteiten anderzijds, die tot uitwerking van de in artikel 27 van de wet bedoelde informatie-uitwisseling dienen, moeten, alvorens zij door de Bank worden gesloten aan Onze Minister ter instemming worden voorgelegd; deze instemming kan slechts worden onthouden indien naar het oordeel van Onze Minister de belangen die worden gediend door verdragen als bedoeld in artikel 27, tweede lid, van de wet dan wel het algemeen belang zich tegen die afspraken verzetten;
2. in schriftelijke afspraken, als bedoeld in onderdeel 1, die worden gesloten met toezichthoudende autoriteiten uit een Staat waarmee het Koninkrijk nog geen verdrag tot informatie-uitwisseling heeft gesloten, dient te worden bepaald dat die afspraken wederom de instemming van Onze Minister zullen behoeven bij de totstandkoming nadien van een dergelijk verdrag met die Staat; deze instemming kan slechts worden onthouden indien naar het oordeel van Onze Minister de belangen die door dat verdrag worden gediend zich tegen die afspraken verzetten;
3. de Autoriteit Financiële Markten of de Bank dient aan Onze Minister inlichtingen te verstrekken, voor zover zij daarover beschikt, die van betekenis kunnen zijn voor: a. de aanwijzing als bedoeld in artikel 7, onder c, van de wet;
b. het verlenen of intrekken van een vrijstelling als bedoeld in artikel 14 van de wet;
c. de toepassing van artikel 30 van de wet;
d. de aanwijzing als bedoeld in artikel 32 van de wet.
a. de aanwijzing als bedoeld in artikel 7, onder c, van de wet;
b. het verlenen of intrekken van een vrijstelling als bedoeld in artikel 14 van de wet;
c. de toepassing van artikel 30 van de wet;
d. de aanwijzing als bedoeld in artikel 32 van de wet.
4 de Autoriteit Financiële Markten en de Bank maken schriftelijke afspraken over: a de betrokkenheid van de Bank bij de uitoefening van de in de artikelen 5 en 15 van de wet genoemde bevoegdheden;
b de onderlinge samenwerking en informatie-uitwisseling ten behoeve van de in dit besluit overgedragen taken en bevoegdheden.
a de betrokkenheid van de Bank bij de uitoefening van de in de artikelen 5 en 15 van de wet genoemde bevoegdheden;
b de onderlinge samenwerking en informatie-uitwisseling ten behoeve van de in dit besluit overgedragen taken en bevoegdheden.
5 de in onderdeel 4 bedoelde schriftelijke afspraken worden na overleg met Onze Minister vastgesteld.
1. schriftelijke afspraken tussen de Autoriteit Financiële Markten of de Bank enerzijds en andere toezichthoudende autoriteiten anderzijds, die tot uitwerking van de in artikel 27 van de wet bedoelde informatie-uitwisseling dienen, moeten, alvorens zij door de Bank worden gesloten aan Onze Minister ter instemming worden voorgelegd; deze instemming kan slechts worden onthouden indien naar het oordeel van Onze Minister de belangen die worden gediend door verdragen als bedoeld in artikel 27, tweede lid, van de wet dan wel het algemeen belang zich tegen die afspraken verzetten;
2. in schriftelijke afspraken, als bedoeld in onderdeel 1, die worden gesloten met toezichthoudende autoriteiten uit een Staat waarmee het Koninkrijk nog geen verdrag tot informatie-uitwisseling heeft gesloten, dient te worden bepaald dat die afspraken wederom de instemming van Onze Minister zullen behoeven bij de totstandkoming nadien van een dergelijk verdrag met die Staat; deze instemming kan slechts worden onthouden indien naar het oordeel van Onze Minister de belangen die door dat verdrag worden gediend zich tegen die afspraken verzetten;
3. de Autoriteit Financiële Markten of de Bank dient aan Onze Minister inlichtingen te verstrekken, voor zover zij daarover beschikt, die van betekenis kunnen zijn voor: a. de aanwijzing als bedoeld in artikel 7, onder c, van de wet;
b. het verlenen of intrekken van een vrijstelling als bedoeld in artikel 14 van de wet;
c. de toepassing van artikel 30 van de wet;
d. de aanwijzing als bedoeld in artikel 32 van de wet.
a. de aanwijzing als bedoeld in artikel 7, onder c, van de wet;
b. het verlenen of intrekken van een vrijstelling als bedoeld in artikel 14 van de wet;
c. de toepassing van artikel 30 van de wet;
d. de aanwijzing als bedoeld in artikel 32 van de wet.
4 de Autoriteit Financiële Markten en de Bank maken schriftelijke afspraken over: a de betrokkenheid van de Bank bij de uitoefening van de in de artikelen 5 en 15 van de wet genoemde bevoegdheden;
b de onderlinge samenwerking en informatie-uitwisseling ten behoeve van de in dit besluit overgedragen taken en bevoegdheden.
a de betrokkenheid van de Bank bij de uitoefening van de in de artikelen 5 en 15 van de wet genoemde bevoegdheden;
b de onderlinge samenwerking en informatie-uitwisseling ten behoeve van de in dit besluit overgedragen taken en bevoegdheden.
5 de in onderdeel 4 bedoelde schriftelijke afspraken worden na overleg met Onze Minister vastgesteld.