BWBR0004798
Geldig vanaf 2000-02-01
Artikel 13c
Wet politieregisters
1. Voor zover dit noodzakelijk is met het oog op de bestrijding van de misdrijven, bedoeld in artikel 1, onder l, kan bij algemene maatregel van bestuur, op voordracht van Onze Ministers en Onze Minister wie het mede aangaat, het bepaalde bij of krachtens deze wet betreffende de bijzondere politieregisters van toepassing worden verklaard op de daarbij aan te wijzen registers van een dienst van een publiekrechtelijk lichaam dat met de opsporing van strafbare feiten is belast.
2. Een verklaring als bedoeld in het eerste lid kan slechts plaatsvinden indien op die dienst de beheersvoorschriften van overeenkomstige toepassing zijn welke bij of krachtens de <a href="/wet/BWBR0006299" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Politiewet 1993</a>zijn vastgesteld voor de eenheden, bedoeld in artikel 13d.
3. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties treedt voor de toepassing van de bepalingen van deze wet op als beheerder van de bij die dienst aangelegde registers.
4. In een register als bedoeld in het eerste lid worden geen gegevens opgenomen die zijn verkregen bij de uitoefening van een toezichthoudende bevoegdheid, tenzij in individuele gevallen op grond van een verzoek en de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene daardoor niet onevenredig wordt geschaad. In dat geval wordt de herkomst van de gegevens vastgelegd.
5. Onze Minister van Justitie wijst schriftelijk, op voordracht van de leiding van het desbetreffende publiekrechtelijke lichaam, de opsporingsambtenaren in dienst van het publiekrechtelijk lichaam aan die toegang hebben tot de registers van die dienst.
6. Bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste lid worden de eisen vastgelegd waaraan de krachtens het vijfde lid aan te wijzen ambtenaren uit een oogpunt van beveiliging en opleiding moeten voldoen.
7. Onverminderd artikel 14, onder c, kunnen uit een register als bedoeld in het eerste lid aan andere opsporingsambtenaren gegevens worden verstrekt indien uit deze gegevens zelf het redelijk vermoeden voortvloeit dat een bepaalde persoon een strafbaar feit heeft begaan.
2. Een verklaring als bedoeld in het eerste lid kan slechts plaatsvinden indien op die dienst de beheersvoorschriften van overeenkomstige toepassing zijn welke bij of krachtens de <a href="/wet/BWBR0006299" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Politiewet 1993</a>zijn vastgesteld voor de eenheden, bedoeld in artikel 13d.
3. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties treedt voor de toepassing van de bepalingen van deze wet op als beheerder van de bij die dienst aangelegde registers.
4. In een register als bedoeld in het eerste lid worden geen gegevens opgenomen die zijn verkregen bij de uitoefening van een toezichthoudende bevoegdheid, tenzij in individuele gevallen op grond van een verzoek en de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene daardoor niet onevenredig wordt geschaad. In dat geval wordt de herkomst van de gegevens vastgelegd.
5. Onze Minister van Justitie wijst schriftelijk, op voordracht van de leiding van het desbetreffende publiekrechtelijke lichaam, de opsporingsambtenaren in dienst van het publiekrechtelijk lichaam aan die toegang hebben tot de registers van die dienst.
6. Bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste lid worden de eisen vastgelegd waaraan de krachtens het vijfde lid aan te wijzen ambtenaren uit een oogpunt van beveiliging en opleiding moeten voldoen.
7. Onverminderd artikel 14, onder c, kunnen uit een register als bedoeld in het eerste lid aan andere opsporingsambtenaren gegevens worden verstrekt indien uit deze gegevens zelf het redelijk vermoeden voortvloeit dat een bepaalde persoon een strafbaar feit heeft begaan.