BWBR0004787
Geldig vanaf 1990-06-21
Artikel 3
Regeling instelling Commissie stikstofbemesting
1. Tot voorzitter, tevens lid van de commissie wordt benoemd.
dr. ir. J. H. J. Spiertz van het Centrum voor Agrobiologisch Onderzoek.
2. Tot plaatsvervangend voorzitter, tevens lid van de commissie wordt benoemd:
dr. ir. J. J. Neeteson, van het Instituut voor Bodemvruchtbaarheid.
3. Tot secretaris-rapporteur, tevens lid van de commissie worden benoemd:
drs. P. C. Meewissen, van het Informatie- en Kenniscentrum, afdeling Milieu, Kwaliteit en Techniek;
ir. F. R. Goossensen, van het Informatie- en Kenniscentrum, afdeling Veehouderij en Milieu.
4. Tot leden van de commissie worden benoemd:
ir. C. G. E. M. van Beek, van het Keuringsinstituut voor Waterleiding Artikelen;
ir. P. J. M. van Boheemen, van het Informatie- en Kenniscentrum, afdeling Veehouderij en Milieu;
ir. W. van Duijvenbooden, van het Rijks Instituut voor Volksgezondheid en Milieuhygiëne;
ir. D. W. de Hoop, van het Landbouw Economisch Instituut;
dr. ir. B. H. Janssen, van de Landbouw Universiteit Wageningen,
drs. W. J. ter Keurs, van de Rijksuniversiteit Leiden;
ir. W. Luten, van het Proefstation voor de Rundveehouderij;
ir. H. G. van der Meer, van het Centrum voor Agrobiologisch Onderzoek;
ir. M. Miedema, van het Informatie- en Kenniscentrum, afdeling Milieu, Kwaliteit en Techniek:
ir. J. H. A. M. Steenvoorden, van het Instituut voor Onderzoek van het Landelijk Gebied;
ir. E. J. B. Uunk, van de Dienst Binnenwateren Rijksinstituut Zuivering Afvalwater;
ir. W. P. Wadman, van het Instituut voor Bodemvruchtbaarheid.
5. Bij ontstentenis van de leden kunnen zij zich laten vervangen.
6. De secretaris-rapporteur heeft in de vergaderingen van de commissie een raadgevende stem. Hij is voor de uitoefening van zijn taak uitsluitend verantwoording verschuldigd aan de commissie.
7. De voorzitter, de secretaris-rapporteur en de overige leden van de commissie kunnen te allen tijde ontslag nemen door een schriftelijke kennisgeving aan de minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij.
dr. ir. J. H. J. Spiertz van het Centrum voor Agrobiologisch Onderzoek.
2. Tot plaatsvervangend voorzitter, tevens lid van de commissie wordt benoemd:
dr. ir. J. J. Neeteson, van het Instituut voor Bodemvruchtbaarheid.
3. Tot secretaris-rapporteur, tevens lid van de commissie worden benoemd:
drs. P. C. Meewissen, van het Informatie- en Kenniscentrum, afdeling Milieu, Kwaliteit en Techniek;
ir. F. R. Goossensen, van het Informatie- en Kenniscentrum, afdeling Veehouderij en Milieu.
4. Tot leden van de commissie worden benoemd:
ir. C. G. E. M. van Beek, van het Keuringsinstituut voor Waterleiding Artikelen;
ir. P. J. M. van Boheemen, van het Informatie- en Kenniscentrum, afdeling Veehouderij en Milieu;
ir. W. van Duijvenbooden, van het Rijks Instituut voor Volksgezondheid en Milieuhygiëne;
ir. D. W. de Hoop, van het Landbouw Economisch Instituut;
dr. ir. B. H. Janssen, van de Landbouw Universiteit Wageningen,
drs. W. J. ter Keurs, van de Rijksuniversiteit Leiden;
ir. W. Luten, van het Proefstation voor de Rundveehouderij;
ir. H. G. van der Meer, van het Centrum voor Agrobiologisch Onderzoek;
ir. M. Miedema, van het Informatie- en Kenniscentrum, afdeling Milieu, Kwaliteit en Techniek:
ir. J. H. A. M. Steenvoorden, van het Instituut voor Onderzoek van het Landelijk Gebied;
ir. E. J. B. Uunk, van de Dienst Binnenwateren Rijksinstituut Zuivering Afvalwater;
ir. W. P. Wadman, van het Instituut voor Bodemvruchtbaarheid.
5. Bij ontstentenis van de leden kunnen zij zich laten vervangen.
6. De secretaris-rapporteur heeft in de vergaderingen van de commissie een raadgevende stem. Hij is voor de uitoefening van zijn taak uitsluitend verantwoording verschuldigd aan de commissie.
7. De voorzitter, de secretaris-rapporteur en de overige leden van de commissie kunnen te allen tijde ontslag nemen door een schriftelijke kennisgeving aan de minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij.