BWBR0004782
Geldig vanaf 1990-06-29
Artikel 3
Wet loonkostenreductie op minimumloonniveau
1. De werkgever heeft in de periode van 1 april 1990 tot en met 31 maart 1994 over elk kalenderkwartaal recht op een tegemoetkoming in de loonkosten van f 800,- voor elke dienstbetrekking met een werknemer die bij de aanvang van het kwartaal de leeftijd van 23 jaar doch niet die van 65 jaar heeft bereikt, en die gedurende dat gehele kwartaal in dienst is geweest tegen een loon dat gelijk is aan het voor die werknemer geldende minimumloon.
2. Terzake van een in de periode van 1 januari 1990 tot en met 31 maart 1990 reeds bestaande dienstbetrekking met een werknemer als bedoeld in het eerste lid, geldt voorts als voorwaarde dat die werknemer in die periode in dienst was tegen een loon dat gelijk is aan het voor hem geldende minimumloon.
3. Terzake van een dienstbetrekking, waarin als regel gedurende niet meer dan een derde van de normale arbeidsduur arbeid werd verricht door een werknemer als bedoeld in het eerste lid, en die reeds bestond in het kwartaal voorafgaande aan de inwerkingtreding van de Wet houdende wijziging van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslagmet betrekking tot de aanspraken van werknemers die als regel gedurende niet meer dan een derde van de normale arbeidsduur arbeid verrichten en van de Wet loonkostenreductie op minimumloonniveau ( Stb.1992, 536), geldt voorts als voorwaarde dat die werknemer in die periode in dienst was tegen een loon dat niet hoger was dan het minimumloon waarop hij recht zou hebben gehad indien de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslagop hem van toepassing zou zijn geweest.
4. Voor een dienstbetrekking met een kortere dan de normale arbeidsduur heeft de werkgever recht op een evenredig deel van de tegemoetkoming.
5. In overleg met de Stichting van de Arbeid kunnen bij algemene maatregel van bestuur bijzondere groepen van werknemers worden aangewezen voor wie de toepassing van deze wet ook mogelijk is boven het minimumloonniveau.
6. De voordracht voor een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het vijfde lid wordt niet gedaan dan nadat het ontwerp in de Staatscourantis bekendgemaakt en aan een ieder de gelegenheid is geboden om binnen vier weken na de dag waarop de bekendmaking is geschied, wensen en bezwaren ter kennis van Onze Minister te brengen. Gelijktijdig met de bekendmaking wordt het ontwerp aan de beide kamers der Staten-Generaal overgelegd.
2. Terzake van een in de periode van 1 januari 1990 tot en met 31 maart 1990 reeds bestaande dienstbetrekking met een werknemer als bedoeld in het eerste lid, geldt voorts als voorwaarde dat die werknemer in die periode in dienst was tegen een loon dat gelijk is aan het voor hem geldende minimumloon.
3. Terzake van een dienstbetrekking, waarin als regel gedurende niet meer dan een derde van de normale arbeidsduur arbeid werd verricht door een werknemer als bedoeld in het eerste lid, en die reeds bestond in het kwartaal voorafgaande aan de inwerkingtreding van de Wet houdende wijziging van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslagmet betrekking tot de aanspraken van werknemers die als regel gedurende niet meer dan een derde van de normale arbeidsduur arbeid verrichten en van de Wet loonkostenreductie op minimumloonniveau ( Stb.1992, 536), geldt voorts als voorwaarde dat die werknemer in die periode in dienst was tegen een loon dat niet hoger was dan het minimumloon waarop hij recht zou hebben gehad indien de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslagop hem van toepassing zou zijn geweest.
4. Voor een dienstbetrekking met een kortere dan de normale arbeidsduur heeft de werkgever recht op een evenredig deel van de tegemoetkoming.
5. In overleg met de Stichting van de Arbeid kunnen bij algemene maatregel van bestuur bijzondere groepen van werknemers worden aangewezen voor wie de toepassing van deze wet ook mogelijk is boven het minimumloonniveau.
6. De voordracht voor een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het vijfde lid wordt niet gedaan dan nadat het ontwerp in de Staatscourantis bekendgemaakt en aan een ieder de gelegenheid is geboden om binnen vier weken na de dag waarop de bekendmaking is geschied, wensen en bezwaren ter kennis van Onze Minister te brengen. Gelijktijdig met de bekendmaking wordt het ontwerp aan de beide kamers der Staten-Generaal overgelegd.