BWBR0004763
Geldig vanaf 1990-06-01
Artikel 2
Uitzet van graskarpers
1. Het uitzetten van de graskarper is slechts toegestaan:
a. met instemming van de eigenaar van het water waarin de graskarper wordt uitgezet en
b. in een water voor zover dat: 1. niet in enige open verbinding staat met andere wateren dan wel
2. van andere wateren is gescheiden door een hekwerk, bestaande uit een spijlenhek met een onderlinge afstand tussen de spijlen van ten hoogste 3 cm of een gaashek, gegalvaniseerd en gelast met vierkante mazen van ten hoogste 2.5 cm.
1. niet in enige open verbinding staat met andere wateren dan wel
2. van andere wateren is gescheiden door een hekwerk, bestaande uit een spijlenhek met een onderlinge afstand tussen de spijlen van ten hoogste 3 cm of een gaashek, gegalvaniseerd en gelast met vierkante mazen van ten hoogste 2.5 cm.
2. Het hekwerk bedoeld in het eerste lid, dient:
a. in bodem en talud te zijn ingegraven;
b. voorzien te zijn van een springflap van circa 50 cm schuin omhoog geplaatst onder een hoek van ca. 45° in de richting van het water waarin de graskarper wordt uitgezet en
c. met inbegrip van de onder b, bedoelde springflap bij de hoogste waterstand ten minste 50 cm boven water uit te steken.
3. Het hekwerk dient aanwezig te blijven en in deugdelijke staat te worden gehouden zolang de graskarper in het water dat met het hekwerk wordt afgesloten, aanwezig is.
a. met instemming van de eigenaar van het water waarin de graskarper wordt uitgezet en
b. in een water voor zover dat: 1. niet in enige open verbinding staat met andere wateren dan wel
2. van andere wateren is gescheiden door een hekwerk, bestaande uit een spijlenhek met een onderlinge afstand tussen de spijlen van ten hoogste 3 cm of een gaashek, gegalvaniseerd en gelast met vierkante mazen van ten hoogste 2.5 cm.
1. niet in enige open verbinding staat met andere wateren dan wel
2. van andere wateren is gescheiden door een hekwerk, bestaande uit een spijlenhek met een onderlinge afstand tussen de spijlen van ten hoogste 3 cm of een gaashek, gegalvaniseerd en gelast met vierkante mazen van ten hoogste 2.5 cm.
2. Het hekwerk bedoeld in het eerste lid, dient:
a. in bodem en talud te zijn ingegraven;
b. voorzien te zijn van een springflap van circa 50 cm schuin omhoog geplaatst onder een hoek van ca. 45° in de richting van het water waarin de graskarper wordt uitgezet en
c. met inbegrip van de onder b, bedoelde springflap bij de hoogste waterstand ten minste 50 cm boven water uit te steken.
3. Het hekwerk dient aanwezig te blijven en in deugdelijke staat te worden gehouden zolang de graskarper in het water dat met het hekwerk wordt afgesloten, aanwezig is.