BWBR0004654
Geldig vanaf 1997-09-23
Artikel 3
Besluit rijkssubsidiëring onderhoud monumenten
1. Onze minister kan jaarlijks subsidie verstrekken voor onderhoudswerkzaamheden aan:
a. kerkgebouwen;
b. kastelen, historische buitenhuizen en buitenplaatsen;
c. hofjes van liefdadigheid die als zodanig zijn gesticht en waarvan de bestemming sinds de stichting niet is gewijzigd;
d. gemalen;
e. opstallen op begraafplaatsen;
f. rieten daken van boerderijen en van buiten het boerenerf gelegen schaapskooien, die in gebruik zijn ten behoeve van een agrarisch bedrijf;
g. vervallen;
h. windmolens en watermolens, waarvan het gaande werk volledig of in overwegende mate in tact is, dan wel in die staat kan worden teruggebracht;
i. orgels met uitzondering van de orgelkast;
j. forten;
k. fabrieksschoorstenen;
l. gashouders;
m. waterkrachtcentrales;
n. watertorens;
o. kranen;
p. weegbruggen;
q. locomotief- en rijtuigloodsen;
r. luidklokken, beiaarden, uurwerken en op bouwwerken aangebrachte zonnewijzers;
s. ruïnes.
2. Subsidie wordt verstrekt aan de eigenaar, huurder of pachter van het monument of, indien subsidie wordt verstrekt ten behoeve van een monument als bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, aan degene die een uitsluitend recht op een graf heeft als bedoeld in artikel 28 van de Wet op de lijkbezorging.
3. Subsidie wordt uitsluitend verstrekt, indien de onderhoudswerkzaamheden naar het oordeel van Onze minister sober en doelmatig zijn uitgevoerd; en
a. betrekking hebben op het mechaniek van een monument of
b. op het wind- en waterdicht houden van de buitenkant van een monument.
4. Indien uit het register, bedoeld in artikel 6 van de Monumentenwet 1988, blijkt dat een monument uitsluitend beschermd is vanwege één of meer met name genoemde onderdelen of objecten, wordt slechts subsidie verstrekt ten behoeve van die onderdelen of objecten.
a. kerkgebouwen;
b. kastelen, historische buitenhuizen en buitenplaatsen;
c. hofjes van liefdadigheid die als zodanig zijn gesticht en waarvan de bestemming sinds de stichting niet is gewijzigd;
d. gemalen;
e. opstallen op begraafplaatsen;
f. rieten daken van boerderijen en van buiten het boerenerf gelegen schaapskooien, die in gebruik zijn ten behoeve van een agrarisch bedrijf;
g. vervallen;
h. windmolens en watermolens, waarvan het gaande werk volledig of in overwegende mate in tact is, dan wel in die staat kan worden teruggebracht;
i. orgels met uitzondering van de orgelkast;
j. forten;
k. fabrieksschoorstenen;
l. gashouders;
m. waterkrachtcentrales;
n. watertorens;
o. kranen;
p. weegbruggen;
q. locomotief- en rijtuigloodsen;
r. luidklokken, beiaarden, uurwerken en op bouwwerken aangebrachte zonnewijzers;
s. ruïnes.
2. Subsidie wordt verstrekt aan de eigenaar, huurder of pachter van het monument of, indien subsidie wordt verstrekt ten behoeve van een monument als bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, aan degene die een uitsluitend recht op een graf heeft als bedoeld in artikel 28 van de Wet op de lijkbezorging.
3. Subsidie wordt uitsluitend verstrekt, indien de onderhoudswerkzaamheden naar het oordeel van Onze minister sober en doelmatig zijn uitgevoerd; en
a. betrekking hebben op het mechaniek van een monument of
b. op het wind- en waterdicht houden van de buitenkant van een monument.
4. Indien uit het register, bedoeld in artikel 6 van de Monumentenwet 1988, blijkt dat een monument uitsluitend beschermd is vanwege één of meer met name genoemde onderdelen of objecten, wordt slechts subsidie verstrekt ten behoeve van die onderdelen of objecten.